Wassend water

Met mijn ogen dicht zit ik op bed en laat mijn gedachten de vrije loop. Soms kom ik zo tot scherpe observaties, stevige woorden, strakke lijnen. Vandaag komt er niks dan een springvloed aan nostalgie en weemoed.

Ik zit hier en er valt niet tegenaan te hozen. Het zilte opgepimpte verleden, een wat-had-kunnen-zijn gevoel, alsook een onbestemde melancholie zonder wortels in de grond spoelen genadeloos over me heen.

Kom maar. Kom maar. Laat maar komen dan.

Als eerste denk ik aan mijn vader. Altijd weer die dode vader die zoveel van mijn leven heeft gemist – bijna net zoveel als ik hem mis. Vroeger rook ik zijn geur, zelfs met ogen open, bijvoorbeeld als ik bij een rood licht wachtte was hij daar ineens. Dan keek ik naar links, rechts, overal om te zien of mijn vader misschien onverhoopt had besloten terug te komen.

Tegenwoordig moet ik met een omweg mijn vader levend toveren, of nou ja, in elk geval dichterbij halen. Na dertig jaar ben ik de hoop op terugkeer een beetje verloren.

Dan denk ik aan boekwinkels en zie ik mezelf met een duim razendsnel langs de pagina’s glijden, de geur van boek opsnuiven. Daar woont mijn vader, in die geur.

Ik heb het ook bij de geur van zweet, specifieker: bepaald mannelijk zweet. Als ik dat ruik komen er soms zo maar tranen in mijn ogen. Tranen van gemis. Verdriet. Liefde.

Dus nu denk ik aan de geur van boekwinkels om mijn vader bij me te houden. Nu ben ik een boekfluisteraar geworden omdat de wind in de pagina’s me aan hem doet denken. Nu ben ik een morsig vrouwtje geworden dat heimelijk de oksels van mannen nadert.

Ik knijp mijn ogen wat stijver dicht en hoop dat het nog heel lang wassend water blijft.