Twee honden in de vloedlijn

Wat is dan geluk, vroeg je. We liepen over het strand, de dag omarmde de nacht en twee honden speelden in de vloedlijn.

Ik denk dat dit geluk is, zei ik.

Maar we lopen enkel naast elkaar op een bijna verlaten strand terwijl de zon ondergaat, antwoordde jij en je schudde je hoofd.
Dit kon overduidelijk geen geluk zijn.

Laat ik het verduidelijken, zei ik.

Voor mij is dit geluk. Ik loop met jou, mijn vuur, mijn water, over een bijna verlaten strand en hoor de golven breken en de meeuwen krijsen. Twee honden spelen in de vloedlijn.

Jij bent mijn geluk, voegde ik er aan toe en kneep zachtjes in je hand.

Je draaide je hoofd naar me toe en keek verbaasd. Is het dan zo simpel, vroeg je retorisch. Is geluk zo simpel als wandelen op een strand met twee honden in de vloedlijn en liefde aan de hand?