Biologisch afbreekbaar

Op het gebouw zat een bordje met een pijl en het woord ‘asurnen’. Het kostte me even voor ik het woord in de juiste klemtonen kreeg. De kamer waar wij in werden geparkeerd was net zo onpersoonlijk als de hal van het uitvaartcentrum. Stemmig en minder-stemmig grijs, een hele waaier aan grijstinten, met hier en daar wat wit om lucht te blazen in het deprimerende geheel. In de hal had ik ook een grijs boeddhabeeld zien staan, maar in deze kamer kon ik er geen ontwaren. Wel een vitrinekast met een assortiment grote en minder grote vlinders in paartjes, niet in het grijs. Het waren ook geen echte vlinders, gelukkig. Het idee van opgeprikte vlinders in een crematorium is een beetje morbide, niet waar.

Er was een bak met vuistdikke ovaalvormige stenen in verschillende kleuren. Volgens het bordje dat er naast stond waren die te koop. Ik rolde een paar keer met mijn ogen.

In het midden van de ruimte een grote tafel met koffie, maar daar mochten we niet aankomen. Niet dat ik überhaupt op crematoriumkoffie stond te wachten, maar er was dus koffie.

Ik keek naar de anderen. Ik was de enige op Birkenstocks met pantermotief. Ik was zo te zien ook de enige die al meer dan anderhalf jaar niet naar de kapper was geweest. De anderen praatten wat met elkaar of stonden maar een beetje te staan, zoals ik, in afwachting van wat er zou gaan komen.

Daar kwamen twee uitvaartmevrouwen in stemmig ton-sur-ton grijs. Ze droegen drie grote bollen, in kleur verschillend. Mijn eerste gedachte was dat het bowlingballen waren, maar wat die hier deden was mij een raadsel. Het bleken biologisch afbreekbare urnen, met de as van mijn schoonmoeder, schoonopa en schoonoma. Toen ik er een aanraakte, voelde het materiaal als papier-maché onder mijn vingers, ik stelde me voor hoe hij zou vergaan in de grond en de as van mijn aangetrouwde familie (in dit geval oma) in dit Baarnse bos zou verdwijnen.

Het duo Stemmig Grijs had uitleg over wat ging gebeuren. We zouden het bos inlopen en de ufo-bollen begraven onder een of andere boom, te midden van een overdaad aan Lelietjes van Dalen. Er waren bloemen en steentjes om de grafjes mee te bedekken (‘grafjes’ was het woord dat een van Stemmig Grijs gebruikte, ik zou zelf een ander woord hebben gekozen).

De dame die op dat moment aan het woord was nam een teug lucht om haar verhaal te beëindigen, maar werd onderbroken door een van de aanwezigen, ik noem geen namen, die haar vroeg of het ook mogelijk was om een blanco aanvraagformulier van het crematorium te bekomen. Waar hij dat voor nodig had, vroeg de mevrouw. Dat dat er niet toe deed, zei hij. Hij wilde het graag hebben. De dame zei dat deze formulieren doorgaans alleen werden verstrekt aan mensen die een dood iemand wilden laten cremeren. Er volgde een korte discussie maar mijn aandacht verslapte.

Ik had het gevoel in een filmscene te zitten, of in Bananasplit. Ralph Inbar zou elk moment als een deus ex machina de deur open beuken, zijn borstelige snor voor hem uitgesneld en wij zouden dan opgelucht ademhalen en verzuchten dat het goddank allemaal maar een boze droom was geweest.

Bij het naar buiten lopen dacht ik aan mijn opgebaarde opa en hoe ik nooit meer een opgebaard iemand wilde zien. Doe mij ook maar zo’n plek in het bos in een bolletje oude krant en een netwerk eekhoorntjesbroden boven mij.

Eenmaal op de plek zag ik drie beschaafde gaten in de aarde, alsof een buitenmaats konijn los was gegaan. Naast de gaten lagen drie blauwe bollen. Nog meer dan de biologisch afbreekbare bollen leken deze van buitenaardse komaf. Als bakens, vuurtorens voor de marsmannetjes. Het bleken geolocatiebollen. Zo konden we altijd weten waar schoonmoeder en haar ouders waren, ook al waren ze al opgegaan in hun omgeving.

De bollen gingen ter aarde. Iemand bleef in een braamstruik haken, mijn nagels gingen kapot door de stugge grond waar ik handenvol van op schoonmama’s graf schepte. Mijn panter Birkenstocks zagen eruit alsof er een modderlawine overheen was gegaan, mijn voeten of ik twaalf jaar barrevoets door Afrika had getrokken.

Zonder dat de mevrouwen Stemmig Grijs het zagen groeven een aanwezige en ik drie Lelietjes van Dalen uit om bij de schoonvader in de tuin te zetten. Al mijn nagels op een na waren inmiddels afgebroken, maar een kniesoor die daarop let als je je schoonmoeder aan het begraven bent.

Op de Hilversumse heide zaten we na. Er werden sandwiches en veel wespen geserveerd. Twee mensen bestelden een Larens Blondje. Een van de blondjes verdween niet in het keelgat van de besteller maar kwam vroegtijdig aan haar einde over het hoofd, schouder en voorgevel van een tante. Sorry, sorry mompelde de serveerster, ik struikelde over een takje. Tante stonk van top tot teen naar bier, ik vermoed dat ik zo ook heb geroken in langvervlogen tijden toen ik de plaatselijke Benzinebar frequenteerde en om zes uur in de ochtend hevig knipperend het ochtendgloren instapte alsof ik te lang in het nachtdierenverblijf van de locale dierentuin had doorgebracht.

Vele grappen volgden. Besloten werd dat tante maar niet zou terugrijden want dit viel niet uit te leggen aan oom agent.