Twijfel

Sinds anderhalve week is het manuscript waar ik ruim een jaar aan heb gewerkt af. Ik ben het nu aan het doorpluizen, gênante taalfouten verwijder ik stilletjes, ik plaats wat komma’s hier en daar, ik sloop een enkele zin. Wat ik vooral doe is het helemaal lezen. Van voor naar achteren: de hele tekst. Voor het eerst.

Dat wekt een hoop emoties bij me op kan ik je vertellen en helaas niet allemaal plezierige. Zeker, het is wonderlijk om te zien wat mijn geest besloot te doen toen ik mezelf opdracht gaf tot het schrijven van mijn eerste roman, fictie dus – dat was mijn eis; geen waargebeurde verhalen, geen autobiografisch relaas. Ik wilde zien of ik instaat ben tot het schrijven van iets dat van a tot z verzonnen is. Ik blijk dat te kunnen, er ligt een tastbare stapel papier voor me met meer dan 90.000 woorden die ik erop heb getikt het afgelopen jaar. En ja, het heeft een kop en een staart, ik vermoed dat het leesbaar is en misschien zelfs wel meer dan dat. Er valt wat te lachen, wat te huilen, een hoop te verwonderen.

Ik weet alleen niet of hetgeen ik wil overbrengen ook echt zal overkomen op eventuele lezers. Dat zal dan vooral aan mij liggen, ben ik bang. Aan mijn schrijfstijl, aan de manier hoe ik schrijf, al zou het ook heel best voor een deel kunnen liggen aan de lezer, of hij bereid is moeite te doen.

Niet gelijk steigeren. Ik leg het uit.

Vorig jaar werd mijn aanvraag voor een beurs van het Letterenfonds afgewezen: niet literair zou ik zijn, ze hadden er geen fiducie in. En hoewel ik een hoop middelvingers richting de Nieuwe Prinsengracht heb opgestoken en ik vaak dacht: ‘well, that is just your opinion, man,’ moet ik eerlijk toegeven dat ik er blijkbaar ook een fikse knauw van heb gekregen. Zo ben ik, nadenken over alles. Waarom ben ik niet literair. Wat is literair. Wil ik het überhaupt zijn. En dan weer terug naar die opgestoken middelvingers naar de elite aan de grachtengordel, absoluut.

Ik ben dus niet literair, volgens het sanctum sanctorum van de Nederlandse Letteren. Maar wat ben ik dan wel? Ik begon aan een roman en ik voltooide hem. Literair of niet, dat bleek ik in elk gevan te kunnen, de ruwe versie ligt immers voor me. Er was een verhaal dat eruit moest, uit mij, en zo geschiedde. Er kwam een voor mij volkomen onverwacht einde; het verhaal leefde onder mijn vingers zijn eigen leven, ik kan je verzekeren dat dat een wonderlijk iets is. Ik keek naar de woorden die zich tot zinnen vormden op mijn scherm en snapte niet waar ze vandaan kwamen.

Het feit dat je schrijver bent maakt je echter niet automatisch literair. Dat wist ik al, maar door de afwijzing van dat Fonds weet ik het nog meer.

Ik heb het opgezocht, literair: het is als een soort Avalon, een in nevelen verborgen eiland dat alleen voor ingewijden toegankelijk is. Een onneembaar fort vol subjectieve criteria. Te denken valt aan: uitgediepte personages met emoties en complexe  beweegredenen in plaats van platte karakters. Diepere lagen, niet enkel dialoog en actie. Literatuur blijkt niet enkel ter ontspanning te zijn, las ik, het moet je aan het denken zetten. Literatuur is origineel, niet het naschilderen van een bestaand werk, het volgen van een bepaald stramien. Literaire schrijvers zouden zich niet voegen naar trends, grillen, maar hun eigen stem volgen, wars van keurslijven en wat anderen verwachten, willen, wensen en wat nu op dit moment in de mode is. Geen eenheidsworst.

Ik moet zeggen dat ik ietwat in de war ben. Want als je het verhaal dat nu voor me ligt langs bovengenoemde lat legt, zou je het heel best literair kunnen noemen. Maar dat klopt dus niet, heb ik mij laten vertellen door het Fonds. Wars van het hedendaagse telegramstijlfetisjisme, die jip en jannekestijl, de pretentieloze, uitgebeende en onderkoelde teksten die momenteel zo populair zijn, kom ik aanzetten met mijn dramatische taal, mijn uitweidingen en mijn herhalingen, die soms als bezweringen fungeren en soms zijn bedoeld om je iebelig te maken, over-alert, met mijn oeverloze monologen intérieur, met al die beschrijvingen van omgeving en natuur waar op het moment geen hond op lijkt te zitten wachten. Ik gebruik nog net niet drie uitroeptekens waar 1 volstaat, maar…. puntjes zijn mij niet vreemd… Een groot anachronisme ben ik, of in elk geval hetgeen ik schrijf lijkt dat te zijn.

Ik heb geen idee echter of lezers voorbij de herhalingen kunnen (en willen!) lezen, voorbij de verstilling, de momenten dat er niets gebeurt, zelfs voorbij hetgeen ik overduidelijk schrijf, want er valt meer te lezen dan er staat. Het zou me niet verbazen dat het boek ook alleen door vrouwen gelezen gaat worden omdat het hoofdpersonage een vrouw is en ook nog eens een totaal gestoorde vrouw. Zucht, hoor ik de kerels denken: weer een hysterische vrouw die grandioos van het pad is geraakt: boeien. Wat is er vernieuwend aan dit thema? Misschien toch niet zo literair, dan?

Zucht.

Ik kan van mezelf erg slecht zeggen of ik het goed vind wat ik schrijf, of juist slecht, of iets daartussenin. Dat ligt aan mijn eeuwige twijfel. Twijfel aan mijn eventuele talent, maar ik vermoed dat het ook iets van doen heeft met mijn onzekerheid of wat ik schrijf wel mensen bereikt. Ik kan zelf wel graag iets willen schrijven en het mooi vinden, maar of het anderen boeit? Of het iets toevoegt?Of het mij überhaupt boeit wat anderen ervan vinden, al mag je dat laatste natuurlijk niet hardop zeggen, want dat komt arrogant over en er zijn ook nog eens tientallen gaten in te schieten.

Ja, je zou kunnen zeggen dat ik een literairfixatie heb opgelopen en geloof me als ik zeg dat ik liever zonder had gezeten, want het leidt af van wat ik schrijf en wil schrijven, en met name van het vrijelijk schrijven (wat ik toch wel doe, maar dan nu met nog meer twijfel en onzekerheid).

Ik had wat meer als The Dude willen zijn. ‘Whatever, man.’

Je zou ook kunnen stellen dat ik in een spagaat zit: wat wil ik met mijn schrijven en wie wil ik bereiken? Wil ik stiekem toegankelijk schrijven omdat ik veel lezers wil bereiken? Toegankelijkheid in combinatie met herkenbaarheid en sensatie, daar bereik je de mensen tegenwoordig mee: een waargebeurd verhaal is mateloos populair. Of wil ik schrijven wat ik zelf wil, wat ik zelf belangrijk vind, ongeacht trends of die onstilbare behoefte van lezers naar sensatie en vermaak, opwindende kijkjes in de levens van anderen, met het risico dat zo’n boek maar 200 keer wordt verkocht, als er überhaupt al een uitgever is die er iets in ziet?

En dan de kers op de taart: voel ik me nog wel schrijver als ik altijd subrosa blijf schrijven, als bijna niemand mijn woorden leest? Mijn hemel, bén je wel schrijver als je nauwelijks wordt gelezen? Als je als smoezelige armetierige gribus tegen de klippen op blijft schrijver op je donkere zolderkamer?

Natuurlijk wel, natuurlijk wel, dat wordt  mijn nieuwe mantra, maar waarom dan die onvrede, die enorme onzekerheid? Misschien dan toch overstag gaan en commercieel gaan schrijven, letters voor de massa, waarom ook niet?

Ik heb dan even wilde plannen, zie het helemaal voor me, maar die plannen zijn de volgende dag alweer vervangen door een obscuur idee voor een volgend boek dat niemand zal lezen.
En toch en toch …Ach, welnee. Het antwoord is heel eenvoudig: nee, dat kan ik niet. Ik schrijf alleen over onderwerpen die mij interesseren en ik vermoed dat wat mij raakt en in beroering brengt niet bijster commercieel van aard is.

Ik moet er maar mee leren leven. En een andere vorm van brood op de plank zien te vinden. Zie het als open sollicitatie. Bij dezen, dus. Misschien toch maar iets met letters…