Blaffen

Die keer dat wij de man die zijn hand niet netjes had uitgestoken toen hij op het laatste moment naar links zwabberde en ons zinloos had laten wachten omdat wij dachten dat hij rechtdoor zou rijden, tegelijkertijd en zonder een van te voren afgesproken plan als een hond uitblaften door onze opengedraaide ramen waardoor de warme meiwind blies en mij zoals elk jaar opnieuw het gelukzalige gevoel van krankzinnige dankbaarheid gaf, staat in mijn geheugen gegrift.

Daar was het begonnen. Daar was het allemaal begonnen.

Niet de zwabberende man doet ertoe. De zwabberende man was enkel ons eerste slachtoffer. Een uitstekend slachtoffer, dat wel, want de zwabberende man die zijn hand niet uitstak toen hij linksaf ging, schrok zo van de hondengeluiden uit de auto naast hem dat hij op een haar na de stoeprand miste en zichzelf en zijn fiets daarna in veiligheid probeerde te brengen (met als vermoedelijk doel niet als een parkinsonklant ter aarde storten) door met zijn beide benen zijwaarts van zijn zadel allerlei Jane Fonda-achtige moves te maken. Ik dacht dat er in de jaren 10 van de 21e eeuw niet meer aan fitness werd gedaan, maar ik ben duidelijk niet op de hoogte van de hedendaagse trends.

Deze meneer voerde ingewikkelde balanceeroefeningen uit, een intrigerend lijnenspel tussen het asfalt, de fiets, de beide benen van de man en zijn romp als middelpunt, zeg maar de verkeersregelaar tijdens de spits.

Met opengezakte monden keken we naar deze fraaie gratis voorstelling. Soms werpt het leven je veel moois in de schoot, dan moet je niet te weigerachtig zijn. Dan moet je geen gegeven paarden in bekken kijken en dat deden we dan ook niet. Ik ben voor vrije expressie in de openbare ruimte en genoot met volle teugen.

Na een paar seconden was het helaas voorbij, de benen vonden de trappers weer, de man zwabberde langs de Aldi richting binnenstad.

De man was ons zo goed bevallen dat later in reconstructie duidelijk werd dat hij het startschot moet zijn geweest voor onze blafposse. De narrige buurvrouw op links die buiten op haar stoepje zuur de straat zit te overzien krijgt een grauw, een voordringer met zweetplekken onder de oksels bij de supermarkt, een geliefde die niet je rug wil masseren als je het lief vraagt omdat hij liever wordfeud speelt, ook.

Wij maken de wereld niet mooier, hij en ik, we blaffen ons ongenoegen van ons af.