Joris

Kater Joris vond vorige week woensdag zijn dood op de Diamantlaan. Hij werd overreden door een Opel Astra, zo stel ik me voor, maar het kan ook zo’n lelijk koekblik zijn geweest waar vrouwen die de weekboodschappen halen in rondrijden. Joris de Kater, mijn mooie seminoorseboskat, werd minder dan vier jaren oud en ik kan bijna niet in woorden uitdrukken hoe verdrietig ik ben dat hij er niet meer is. De vrouw die haar voorwielen over zijn slaap reed belde de dierenambulance en met gezwinde spoed en loeiende sirenes, het mannetje was immers midden op de weg doodgereden, togen de vrijwillige dierenvrienden naar deze verkeersader achter mijn huis. Ik heb er niks van gemerkt. Toen hij stierf zat ik onderuitgezakt op bed als een wezenloze met mijn rechterduim op Facebook te scrollen.

Het telefoontje kwam om zes uur. Wij deden wat velen voor ons deden en velen na ons zullen doen: ‘Ja maar, hij was nog in leven toen hij om half zes zijn vadsige lichaam (nee NEE! Het was zijn wintervacht! Niet alles is wat het lijkt!) door het kattenluikje perste en muffig weghobbelde omdat het nog geen tijd was voor zijn verse visje.’ Ik antropomorfiseer het leven maar even naar me toe nu Joris de Kat er niet meer is om mijn observatietechnieken op te oefenen. Lopend naar daar waar hij lag, op een kleedje opgebaard en met kaarsjes in een hoekje. In jaren heb ik niet zo gehuild als die dag daar in het kantoortje van de dierenambulance met dat lelijke veel te lage systeemplafond en de dame die discreet de ruimte verliet om mij als een melodramatische donna te laten huilen. Bij vertrek moesten we 39 euro betalen. Sirenes en piepende banden kosten bijna 40 euro, natuurlijk snapten wij dat.

We vormden een zwijgende trein, mijn familie en ik en de dode Joris in zijn rieten mandje, terug naar waar hij minder dan een uur geleden met de chip in zijn nek voor de laatste keer zijn privéluikje had ontsloten. Terug naar huis en een laatste rustplaats onder de azaliastruik die momenteel zo obsceen roze bloeit dat ik er bijna niet naar kan kijken.

Joris, mijn mooie seminoorseboskat, met zijn glimmende vacht omdat we hem zalm voerden (alleen wilde zalm, kweek zalm is voor luizige soortgenoten), Joris die dacht dat mijn oorlel de tiet van zijn moeder was, Joris die nog geen vier jaar oud werd.

Ik mis hem, ons Joortje.