De geur van zonnebrandcrème

Je verzint het niet maar ik ging op de warmste 19 april ooit gemeten naar de sauna. Het was al afgesproken, dag vrij genomen, niet lullen maar poetsen enz. Ik baalde een beetje, want koude dompelbaden zijn wat mij betreft voor rare kwiebussen die het enge ijsmannetje Wim Hof een warm hart toedragen, van die wannabe Echte Mannen die denken dat door koud af te douchen al hun problemen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Die denken dat ze nooit gegrepen zullen worden door kanker of de griep omdat ze elke dag 2 minuten koude trotseren in hun marmeren badkamertje. Wim Hof is gewoon weer de zoveelste charlataneuze nepgoeroe, en over Echte Mannen heb ik ook nog wel het een en ander te zeggen, maar dat is weer een ander verhaal.

Ik hou dus niet van hartstilstandbaden, maar die zon zou me mijn saunagangen niet afnemen dus volle frisse tegenzin stapte ik het complex binnen. Half-grappend had ik in de auto nog gezegd dat het me een echte bejaarden-gaan-naar-de-sauna dag leek en ik kan u vertellen dat ik serieus overweeg om me als paragnost te laten registeren want mijn voorspelling bleek volledig te kloppen. Ik voelde me een jonge godin tussen de winterbloempjes en dat is soms best fijn als je van de derde helft bent en last hebt van opvliegers en ander onaantrekkelijk vrouwelijk ongemak dat hoort bij de overgang van jong en fruitig en niet-zo-jong en niet-zo-fruitig. Pas tegen mijn vertrek arriveerde een jong stelletje dat net de puberteit had verlaten, blond en gebruind, nergens lichaamshaar en zo strak in het vel dat ik er van schrok en alle pensionado’s verrekten hun kalkoenenhalsjes om een blik te werpen op het gouden koningspaar dat alleen maar oog had voor elkaar en stiekem allerlei illegale intieme handelingen verrichtte. Gauw pakte ik mijn handdoek, trok mijn panterbadjas aan en smeerde hem. In dit land van blinden was eenoog eindelijk koningin geworden maar dat gevoel was verpest door de usurpators die net mochten stemmen. Nee hoor, grapje, ik weet wanneer het tijd is om te gaan en de jongelingen waren beeldig.

De dag had als een vakantie aangevoeld en ik had pas door hoe nodig ik dit had gehad toen ik echt ontspannen met mijn armen over de rand van het zwembad mijn ogen sloot en de zon me liet beschijnen. Loom met mijn benen achter me wapperend, de geur van zonnebrandcrème die in de lucht hing, God wat was dit gevoel welkom. Ik dacht aan de zomervakanties bij mijn vader in Californië, aan het surf-en waterskikamp waar ik voor het eerst ook echt in de zon had gelegen, als 11-jarig meisje tussen de andere meisjes uit het land waar mijn vader naar toe was verhuisd, meisjes die veel volwassener leken met hun geschoren oksels en sieraden en bikini’s, maar waar ik me desalniettemin bij op mijn gemak voelde. Ze roken naar watermeloen en kokos en zonnebrandcrème, die meisjes, en tot op de dag van vandaag associeer ik de geur van watermeloen en kokos en zonnebrandcrème met trage zomerdagen die zich eindeloos uitstrekken, dagen vol belofte en een verlangen naar iets ongrijpbaars, een verwachtingsvol gevoel dat ik alleen heb als de zon zo schijnt en ik die geuren ruik, de clichétsunami ten spijt.

Met het afkoelen viel het reuze mee, beetje zwemmen was voldoende. In mijn blootje slapen in de tuin, afgewisseld met luisteren naar geile kikkers in de vijver, rondjes in de houtgestookte sauna en glimlachen als een puber op een surfplank was dit toch wel het hoogtepunt van mijn week. Die nacht droomde ik dat ik weer 14 was en voor het eerst verliefd.