De geur van leer en sneeuw

Altijd donker is het hier. Er is een raam, maar door dit raam kan geen zonlicht schijnen. Als de luiken open zijn zie je enkel dat het dag is of nacht. Ik zou mijn hoofd zo graag naar buiten steken, mijn romp tot aan mijn navel ver over de vensterbank gebogen, reiken naar de zon. Het kan niet, hoe mooi de ornamenten ook zijn, hoe fraai de sierlijke rondingen, het blijven stangen, decoratietralies. Ik neem de voordeur, buk me zodat ik mijn hoofd niet stoot, ons verleden bestaat uit kleine mannetjes met grootheidswaan. Ik kijk nog een keer om, mijn poppenhuiscachot in. Hier lag ze gisteren, op mijn bed dat de hele kamer vult. Ik sluit mijn ogen, voel het cliché van overspoelen zo heftig dat mijn knieën ervan knikken. Ze is mooi, zij is het, zo niet van deze stad, dit land. Ze ademt koelte uit, frisse knisperende noordelijke lucht, noorderlicht, haar rode wangen en gesloten ogen, geopend zijn ze korenbloemenblauw, vol verwachting op wat komen gaat, mijn lippen die nu bij haar hals zijn aanbeland. Zij is mijn ijsprinses, ik schaam me voor mijn zolderkamer waar alleen een bed op ons wacht, alsof ik zwijgend zeg dat ik enkel haar vlees begeer. De koele gang door, galmende voetstappen, de gemeenschappelijke voordeur uit.

Het is rustig op dit pleintje. Zo verstild en vredig, een houtduif koert zijn loom- schorre oeoe, een oude man schuifelt voorbij, zijn stok tikt op de kinderkopjes. Als ik de Via dei Magalotti doorloop, de muren dicht om me heen, geel en afgebladderd aan de ene kant, beige en fris aan de andere, alsof het smalle straatje een grens vormt tussen arm en rijk, hoor ik het geroezemoes, het crescendo bij elke stap aanzwellend. Nog even, heel even, dan word ik (fortissimo fortissimo!) opgezogen door die kolkende stroom toeristen. Ik ruik leer, over de geur van te veel mensen ruik ik altijd weer die specifieke lucht, een mengsel van gemalen eikenbast en omgewoelde aarde, als paddenstoelen in de herfst. Deze mensen, waarom lopen zij hier? Wat bezielt hen vrijwillig met het kruis tegen de rug van een onbekende ander aan te lopen, in stugge colonnes van en naar het middelpunt? Waarom neem ik altijd deze weg? Ik laat me meevoeren naar links, zou mijn ogen kunnen sluiten, de massa brengt me toch wel waar ik wezen moet. De Borgo dei Greci is geen straat die ik haat, heel vroeg in de ochtend, als de mensen uit andere landen nog slapen en de mannen van het leer hun winkeltjes openen, hun stoepjes aanvegen, een deuntje fluitend en een sigaret rokend, dan zou ik hier eindeloos willen dolen en dansen, ik zou de ijsprinses mijn stad willen tonen om half zes in de ochtend, zo van: kijk, kijk dan meisje, dit is de echte stad. Nog even en dan vindt dit muziekstuk zijn echte hoogtepunt, dan gaat de rivier op in de zee, dan waaieren wij allen een andere kant op, de een naar Cosimo op zijn paard, de ander naar David volgens Michelangelo, een derde naar de schatten binnenin het paleis, een vierde, laten we zeggen ik, in marstempo naar weer een dag van poloshirts en broeken met een vouw verkopen aan mannen van middelbare leeftijd, maar veel vaker  aan hun verbeten vrouwen met strakgeknipte coupe, en dagdromen van een blond meisje met appelwangen en de geur van sneeuw en fjorden in haar haar in mijn veel te grote bed.