Lichaamsherinnering

Ik sta op de Laugarnesvegur op je te wachten. Het is koud, ik stel me voor hoe de kou in mijn botten gaat zitten zoals mama dat vroeger noemde. Het witgele skelet dat ik ook ben dat langzaam verandert door deze winterkou. Wat gebeurt er dan, worden de botten dunner, veranderen ze van kleur, temperatuur? Mama is er niet meer, ik kan het haar niet vragen. Ik denk vaak dat ik slechts in mijn hoofd besta, maar dat is onvolledig. Van wie is dit lichaam dan dat hier langzaam staat te bevriezen? Een mens wordt met bijna 300 botten geboren, maar daarvan zijn er als je volwassen bent nog maar 206 over doordat sommige botten aan elkaar groeien. Het voelt nu alsof mijn skelet een groot bot aan het worden is, lomp en langzaam staat het hier, hoe minder ik beweeg, hoe minder botten ik lijk te hebben.

Je bent laat, ik vraag me af waarom. Je bent nooit laat, niet dat ik me kan herinneren. Misschien haast je je, op een sukkeldrafje door de Sæmundargötu. Ik beeld me in hoe jouw skelet beweegt, soepel en gesmeerd, honderden botjes in samenspel op weg naar mij. Ik ben meer dan een hoofd dat denkt aan jou. Dat moet wel, mijn lichaam, met al die botjes waar dit weer in is gaan zitten, denkt ook aan jou. Herinnert zich jou. Ik ga je straks vragen je ogen dicht te doen. Binnen, bij de kachel, als we samen 412 botten zijn, vraag ik je naar jouw lichaamsherinneringen.