Overgave

Je bent zo gewend aan het verkeren aan de oppervlakte dat deze ongevraagde duik in je diepe je overvalt. Iemand heeft een opening in je lichaam weten te maken, een gehaaide snee die zo op het blote oog slechts een vaag litteken zal achterlaten, maar van binnen nog lang de boel zal beroeren. Je dacht dat je een gematigd mens was, met zuinige emoties. Je dacht dat je een sterk mens was, niet snel van haar slag bij verdriet of pijn. Het blijkt niet te kloppen, het blijkt allemaal niet te kloppen want hier zit je, met die wond die van buitenaf niets voorstelt maar van binnen als koudvuur om zich heen grijpt. Je weet niet of je dit wilt, of je het aankunt. Je wankelt. Je voelt hoe je ogen trillen en je gedachten worden beheerst. Dat huilen dat je nu zo vaak doet kun je misschien aan, de vraag die je jezelf blijft stellen is of je de blijdschap kunt verdragen, het gevoel groter te zijn dan je eigen ego, het verlangen en het gemis. Het gevoel van niet te weten wat te doen wordt versterkt door een knagend gevoel van onzekerheid, waarom gebeurt Dit, waarom nu, waarom ik. Kan ik nog weglopen van deze godgelijkende tragedie, denk je, of ben ik slechts een toeschouwer in het spel van de ander, die ander die met de handen in de zakken en een deuntje fluitend jouw richting op loopt en niet vatbaar lijkt te zijn voor het vuur dat zich een weg vreet door jouw binnenste. Die onzekerheid, het verlies van controle en de stil ingehouden frustratie omdat de ander wel kan genieten en jij je met hand en tand verzet tegen overgave, een overgave waar je nota bene je hele leven van droomde. De angst dat je alleen bent met dit gevoel. De hoop dat je dat niet bent. Maar boven alles het verlangen naar de nabijheid van de ander.