Nagalm

Soms ontmoet je iemand die op je lijkt. Iemand die dezelfde paden volgt in zijn hoofd. Iemand die naar je luistert en ondertussen ideeën krijgt door jouw woorden, je ziet het lampje aangaan, en daarnaast ook schaamteloos jouw gezicht bestudeert zodat je moet blozen. Je zou geïrriteerd kunnen zijn maar bent dat niet; herkenning heeft zo haar voordelen. Je weet dat de woorden die je sprak aankwamen, dat iemand kan luisteren en denken en schaamteloos staren, allemaal tegelijk, ook al schreeuw je altijd dat je maar een ding per keer kan. Dat klopt niet: je ziet het aan de herkenning die je voelt, zo gaat het ook bij jou.
Praten met zo’n mens is simpel en verfrissend, een vergelijking met de lenteregen dringt zich op. Praten met zo’n mens is misschien ook overbodig, wat dan weer verwarrend werkt: waarom zwijgen als je oog in oog staat met herkenning? Je zou dan kunnen zeggen dat woorden bedoeld zijn om te overtuigen, om een mening kracht bij te zetten. Júllie kunnen praten in stilte, via draadjes in jullie hoofden, dat zou moeten kunnen met zo’n spiegelpersoon. Of misschien valt er niks te zeggen als je zo eender denkt als jullie.
Nee, natuurlijk ben je niet stil. Je praat tot je schor bent en de ander praat mee. Jullie praten samen, alleen, soms als blauwe noten, soms als echo’s en altijd die nagalm die de verbinding versterkt.
Waarom zwijgen als je samen woorden hebt? Er moet gepraat worden, oneindig veel gepraat, zodat de nagalm van de woorden zich in de herinnering van jullie lichamen weet te nestelen. Pas dan zwijg je, zullen jullie zwijgen. Doen jullie het zwijgen ertoe.