Voor een oude vriend

Hij zat bij mij op school en we werden vrienden. Hij ging wel eens mee na het laatste uur, ik woonde dichtbij en hij op anderhalf uur afstand. Hij was wat raar, eigenaardig. Hij was geïnteresseerd in heel andere zaken dan anderen van onze leeftijd, wat goed uitkwam want voor mij gold hetzelfde. We praatten over literatuur, filosofie, en meisjes. Hij wilde alles van mij weten, maar niet omdat hij mij begeerde. Hij was verliefd op andere meisjes en vroeg mij de oren van mijn hoofd om ze beter te begrijpen. ‘Ik begrijp meisjes niet,’ zei hij, ‘Ik begrijp alleen jou, wil jij me helpen de meisjes te begrijpen?’

Ik zie ons nog zitten aan onze keukentafel, onder de stinkende verschimmelde ham uit Spanje, met koppen thee brachten we uren door. Hij zei dat hij mij leuk vond omdat mijn voorhoofd en profiel recht was en dat het in een volmaakt rechte lijn liep met mijn bovenlip. Volgens hem was dat een teken van intelligentie.

We schreven elkaar ook brieven, echte brieven met de hand geschreven die we elkaar gaven op school of stiekem in elkaars jaszak stopten. Hij was lyrisch toen hij ontdekte dat ik ‘desalniettemin’ goed schreef en dat mijn woordenschat zo groot was. Maar verliefd was hij niet op mij, dat kon hij alleen zijn op populaire meisjes met mooie kleding en de haren van een Dolly Dot, meisjes die hij niet begreep. Mijn vriend had last van vreselijke depressies, nachtmerries verstoorden zijn nachtrust en leven was soms een veel te zware opgave voor hem. Mijn lieve rare vriend heeft niet lang geleefd, op een dag besloot hij dat het genoeg was en nam hij een extra stap op een perron ergens op een station van Nederland.

Die lijn die lijn die verdomd dunne lijn tussen genialiteit en gekte, die oneindig felle lamp boven in een vuurtoren in een volmaakt zwarte zee, dat was hij. Hij zond uit: kom hier kom bij me hou van mij, maar niemand kon dichtbij.