Scholenbezoek

Gisteren waren we op de openavond van een christelijke middelbare school in onze stad. Aaron had er weinig zin in en ik kan ook niet zeggen dat ik er veel animo in had. We zijn allemaal moe moe moe, liefst zitten we met oogkleppen op de bank en sluiten we zo de wereld buiten. Die buien hebben wij soms in ons huis, doorgaans als er meer van ons wordt verlangd dan het gangbare en nu waren dat de citotoetsen en een hele trits kwakkeligheden en ziektes, de een met de ander aangestoken en dus ook die scholenbezoeken en voorts beugels die niet goed zitten en elke keer weer een ritje naar de orthodontist vereisen. Ik wist niet dat je neerslachtig van een beugel kon worden maar het kan echt.

En nu was er dus het bezoek aan de christelijke school. Op ons tandvlees sjokten we de grote hal in waar een koor van kinderen ons tegemoet zong. We konden niets van de tekst verstaan maar het was vast het clublied, of hoe noem je een lied dat de ziel van een school zou moeten verbeelden. Veel witte kinderen, een paar bruine en ik zag ook een meisje met een hoofddoek foldertjes aan de mensen die de kou meer naar binnen namen uitdelen. Ik hoorde zelfs Fries in de gangen, een mem en haar zoon die spraken over wat ze in het godsdienst lokaal hadden gezien; een engel, een droomvanger en een menorah, zag ik later zelf. Ik heb namelijk geen idee wat dromenvanger in de taal van de buren is en ik hoef het ook niet per se te weten.

De school bruiste van leven zoveel enthousiaste leraren en leerlingen liepen er rond. Zouden ze in het geniep kinderen die hier naar school gaan en volwassenen die Duits, biologie en natuurkunde doceren hebben gekloond, in de tochtige kelder van dit enorme pand of bij de rector thuis in het bijgebouw dat hij bij de belastingdienst opgeeft als werkruimte? Zouden het hun klonen zijn die hier zo aanstekelijk stonden te zingen en vertellen, niet precies Stepford mannen en vrouwen en kinderen, maar wel uitzonderlijk uitzinnig voor buiten schooltijd en onbetaald.

Aaron vermaakte zich in het natuurkundelokaal met de proefjes, de studieboeken die er ook lagen negeerde hij met verve. Ik stond gefascineerd naar de opgezette beesten in het biologielokaal te kijken, bij ons op school, in een andere tijd, diep in de vorige eeuw, zwommen er koeienogen op sterk water in het biologielokaal en misschien een embryo van het een of ander, maar dit was van een heel ander niveau. ‘Ik zou voor deze school gaan en dan alleen biologie kiezen,’ mompelde ik tegen mezelf. Een meisje van een jaar of 15 hoorde wat ik zei en maakte dat ze weg kwam.

Door de opgezette beesten moest ik aan de jongste zoon denken die voor het eerst langer dan een uur alleen thuis was, gewapend met mobiel van broer en instructies wat te doen in noodgevallen. Het bruggetje is minder luguber dan je misschien denkt: de jongste houdt van opgezette beesten. Ik pakte mijn telefoon en zag dat hij zeven keer had gebeld. Twintig minuten geleden. Mijn hart maakte een sprongetje: wat was daar gebeurd? Mijn man had ook een pagina vol gemiste oproepen van schorrie, van morrie. Terugbellen kon niet, de telefoon stond uit. Met gezwinde spoed hink stap sprongen wij langs de euforische mensen de auto in. Ik was nog niet in paniek maar het had er wel veel van weg.

Thuis was er een ijsberend boos door bang jongetje: zijn vriendinnetje had voor de deur gestaan met de vraag of hij kwam buitenspelen. Maar het kon niet, het mocht niet, hij kon niet zo maar weggaan en papa en mama namen niet op en hij had zo vaak gebeld dat de telefoon zwart was geworden en tot overmaat van ramp was een reanimatie ook niet gelukt. Ik liep naar het tafeltje waar de telefoon lag en zag de levensader doelloos in het stopcontact ernaast hangen.