Kampnijd

De hitte die je in warme wolken omarmt, verstikt bijna, de rode aarde, de bougainvillea die in zoveel kleuren bloeit, het stof dat overal is: elke keer als ik Ben Gurion uitstap is het deze combinatie van zintuiglijke waarnemingen die mij vertellen dat ik thuis ben gekomen. Vaak moet ik huilen als ik de rit van het vliegveld naar de stad maak, alsof iets in mij heeft geslapen en nu door de klamme deken en de geuren van dit land ontwaakt.
Het is alweer jaren geleden dat ik in Israël was en ik mis het. Zelfs de schreeuwende taxichauffeurs met zwarte vachten op de vingers, rokend in hun stinkende bmw’s, de straatkatten die in elk steegje de vuilnis uit de zakken trekken, schor naar me miauwen, de vlooien zichtbaar springend op de rug, mis ik, maar misschien spreekt nu de vertekenende bril van de nostalgie.

De laatste keer dat ik in Israël was, waren we in Kfar Saba op bezoek bij de aanwaaigrootouders van mijn man die daar in een soort bejaardenkolonie wonen. De verzengende hitte van het land laat je achter bij de elektrische deur waar ze geduldig wacht op je terugkeer, als een hond met riem aan een paal. Binnen is het niet aangenaam, je wilde dat je een vest mee had genomen.

Ik ben dol op Yitzhak, al is hij nu dood. Hij vertelt zo mooi over zijn nieuwe land. Voor zijn oude land Polen heeft hij veel minder woorden en de woorden die hij voor zijn oude land heeft zijn vlak en tweedimensionaal. Hij en zijn vrouw Chava nodigen ons uit voor de lunch in de grote eetzaal in de kelder. Onze kinderen racen hun bestuurbare autootjes over de eetzaalvloer, behendig tussen bejaardebenen, rolstoelen en rollators slalommend. Opa vindt het prachtig, hij gaf ze die speeltjes met als enige doel de medebewoners van dit avondland op de kast te jagen en zo te zien lukt het: boze troebele blikken, reumatische vingers als een slechte imitatie van ET. Yitzhak kakelt, zijn bruingevlekte arm om mijn schouder, een goedkeurende blik op mijn decolleté. Mijn binnenste kakelt ook, fijn dat de oude man nog weet te genieten.

Om twaalf uur gaat een gong en is het buffet geopend. Onze oudjes blijven zitten, maar Yitzhak spoort ons aan erheen te gaan, met tegen onze ruggen de opmerking dat we ons niet moeten laten koeioneren door een stel bejaarden, dat we standvastig moeten zijn. We kijken elkaar aan en halen onze schouders op. Vijf minuten later begrijpen we de woorden van aanwaaiopa: het voelde of we waren aangerand door een horde ouderen, iemand reed expres over mijn tenen met een rolstoel en mijn man werd van achteren in zijn knieholten geraakt, we werden geduwd, onze borden omgegooid, in het Duits en Hebreeuws en weet ik wat voor talen nog meer uitgescholden dat we niet voor mochten dringen, terwijl de wandelstok lustig en preventief als stootwapen werd ingezet. Het was als hamsteren bij de Appie, als de lancering van een nieuwe game: we werden onder de voeten gelopen door een stel senior citizens die zich heel letterlijk niet de kaas van het brood liet eten.

Terug bij de tafel, gehavend en beduusd, weer een kakelende opa: ‘laten we mild zijn in ons oordeel over de oudjes met kampnijd’, zegt hij. ‘Jullie hebben de proef doorstaan.’

Rustig staat hij op en ondersteunt zijn vrouw terwijl ze naar het ontplofte buffet lopen. Liever de restjes van een maaltijd, dan opgegeten worden door een roedel hyenas. Ik geef hem geen ongelijk.