In de Jumbo

We stonden in de rij voor de service- annex sigaretten/medicijnen/condooms/scheermesjes/alles-wat-duur-is-en-gejat-wordt-uit-de-winkelbalie omdat de ‘tweede voor de helft van de prijs’ niet was gepakt op het bier. Ik kreeg een geel vlaggetje in mijn handen geduwd door een meisje van een jaar of zeven, acht. Ze had lange blonde haartjes die aan een kant ruig met een klemmetje opzij waren gedaan. Ze zei dat op de achterkant een kleurplaat stond, kon ik straks thuis gaan kleuren. Ik mompelde iets van dat ik hier al wel kon beginnen zo lang als het duurde en nog duurde het voort en bedankte haar vriendelijk. De vader, of wat het dan ook was van het meisje, probeerde een gesprek aan te knopen met de moeder van de baby in ouderwetse kinderwagen achter ons, maar helemaal lukte dit niet. Zijn tong deed niet wat hij wilde en de woorden kwamen en raar verdraaid en dik uit. Hij stond onvast, bewoog zijn gewicht regelmatig van het linker naar het rechterbeen en terug. De moeder knikte veel en keek nog meer haar kinderwagen in. Het enige wat ik kon denken was ‘arm meisje’.

Achter de rij, tegen het raam op een stoel naast de dozen, zat een dikke zwarte meneer iets dat op een puddingbroodje leek te eten. Hij smakte zo hard dat ik het in de rij een paar meter verderop kon horen, de gele flubberbrij kwam bij zijn mondhoeken naar buiten. Ook ik verplaatste mijn gewicht van de ene naar de andere voet. Ik had geen hakken moeten aandoen, dacht ik. Mijn onderrug gaat kapot hier. Ondertussen stonden een jongen met blond strohaar en een oudere dame met bruin bobkapsel nog steeds bij de balie. Er was iets met een pakketje. Ik zei tegen de persoon met wie ik daar wachtte dat ik de jongen kende. Dat hij vroeger bij mijn zoon in de klas had gezeten maar niet sprak en alleen met zijn handen flapperde en kreten uitstootte. Dat ik hem een keer op schoolreis in mijn groepje had en de juf enkel had gezegd dat hij Teun heette en dat hij anders was. Ik had geen idee gehad wat ze bedoelde tot ik begreep wat ze bedoelde. Het jongetje was duidelijk niet op zijn plaats in de chaos van de speeltuinhel, het gegil en geduw en rende als een kip zonder kop tussen de speeltoestellen en de andere kinderen door. Ik begon op hem te letten en besloot hem niet uit het oog te verliezen, bleef de hele dag bij hem. Niet aanraken, dat wilde hij niet, maar praten, ik dan, uitleggen wat er ging gebeuren. Hij leek rustig te worden van mijn stem en de uitleg. Op de terugreis viel hij tegen mij aan in slaap. Na de vakantie was Teun verdwenen. Naar een andere school, had de juf gezegd. En nu stond hij hier, in dezelfde rij, in een gesprek met het meisje achter de balie.

Ik zei tegen mijn biercompaan dat hij voorheen echt niet had gesproken. Hij zei dat het nog steeds niet heel soepel ging. Dat hij sprak was echter niet te ontkennen. Hij keek het meisje zelfs aan, af en toe. Wat een verschil met zes jaar geleden! De kleine oudere vrouw met het bruine haar, ik noemde haar zijn oma in mijn hoofd want ik wist hoe zijn ouders eruit zagen en die waren heel lang en blond, zei helemaal niks. Na nog vijf minuten wachten, de zatlap achter mij en het blonde meisje waren vertrokken en de pijn in mijn rug had een nieuw hoogte- dan wel dieptepunt bereikt, liepen de jongen en zijn oma eindelijk weg. Ik probeerde te luisteren naar wat ze zeiden, benieuwd naar zijn stem, maar ik kon het niet goed verstaan. Als je hersenen het ene verwachten en het andere voorgeschoteld krijgen is daar altijd zo’n ‘bevroren tijd’- momentje, of althans bij mij, maar dat kan ook aan mij met mijn rare hersens liggen. Ik hoorde hem praten maar het klopte niet. Ik keek opzij en keek mijn vriend aan: ‘spreekt hij nou Pools?’ De vriend wist het niet, maar dat hij het niet verstond was duidelijk. Ik keek om mij heen, geen idee naar wat ik op zoek was. Steun? Begrip? Een zoete redder die uit het systeeemplafond zou komen flikkeren aan een touwtje, een por in mijn zij met een banaan van wijlen Ralph Inbar?

Er gebeurde echter helemaal niks en de jongen en zijn oma liepen langs ons, in het Pools pratend en wij waren aan de beurt. We kregen geld en een gratis bosje rozen en toen we naar buiten liepen zat de dikke zwarte meneer er nog steeds. Zijn gezicht zat vol poedersuiker. Hij was aan een nieuw puddingbroodje begonnen.