Kerstsfeer

De tafel is feestelijk gedekt, wit damasten laken, servetten met kerstman-op-slee met rendier, zilveren kandelaars met brandende kaarsen, een en al gezelligheid. De gasten lijken niet geïnfecteerd door de kerstsfeer, er hangt een onderkoeling in de lucht boven de tafel, een lagedrukgebied dat weinig goeds voorspelt.
Karen en mama zitten aan de korte kant van de tafel, papa en ik meters verderop aan de overkant. Aan de lange kant opa en oma, tante Wendy, tante Margriet, oom Arend en oom Jelle en een aantal van hun kinderen. Papa tikt met zijn voet op de grond, zonder stoppen, alsof hij extra calorieën wil verbranden om de maaltijd te compenseren. Mama, helemaal aan de andere kant, wrijft steeds hetzelfde plukje haar glad. Ik zie dat Karen het ook ziet, maar ze ziet niet dat papa’s been hier eigenlijk niet wil zijn. Niemand zegt iets, de donderwolk (het zou ook een sneeuwbui kunnen zijn) fungeert als een zwart gat. Er is geen ruimte voor woorden, de atmosfeer is te zwaar. Dus we eten. En we zwijgen.

De lange tanden van de volwassenen doen me aan konijnen denken, aan hazen misschien. Net als bugs bunny zijn de grote mensen ongewild in andermans conflict terechtgekomen en hebben ze geen idee wat ze moeten doen, dus doen ze wat ze in zo’n geval altijd doen: ze doen niks. Eten is de oplossing tot alles. En eten doen ze. De lange tanden vermalen de kalkoen en dat spul wat mama erin heeft gedaan tot pulp, als koeien en hun plukken gras. De afwezigheid van muziek zorgt voor een uitvergroting van de eetgeluiden. Ik sluit mijn ogen en hoor een apocalyptische symfonie. Zo moet het einde der tijden klinken, denk ik en knijp mijn ogen nog dichter tot het pijn doet.
‘Mag ik even jullie aandacht?’ Het is mama. Voorzichtig open ik mijn ogen. Ze snijdt met een mes door de dikke stilte en tikt er vervolgens mee tegen haar glas. Alle hoofden gaan in golfbeweging naar daar waar het geluid vandaan komt, iedereen staart naar mama. Papa’s knokkels worden wit, zo hard knijpt hij de tafel.
‘Ik wil hierbij een toost uitbrengen op mijn man die, godzijgeprezen, zeer binnenkort mijn ex-man zal zijn. Dat hij nog vele prostituees mag bezoeken en geslachtsziekten oplopen en doorgeven.’

Haar ogen zijn groot en rond en ze ziet eruit alsof ze mijn ritalin heeft vermalen en opgesnoven. Klodders speeksel schieten uit haar mond. Ik durf mijn ogen niet meer te sluiten, maar wou dat ik dat wel durfde.
‘Op de scheiding, Willem! Eindelijk ben je vrij! Dat jij en die kromme garnaal van je nog maar lang en ongelukkig moge leven!’
De scheur die mama met haar mes in het zwarte gat maakte is weer dicht, de stilte die op haar woorden volgt is eindeloos.