Doodgaan

‘Hoe wil jij het liefste doodgaan, mama?’
Het is zondagochtend en we zitten met z’n allen aan de ontbijttafel. Hij wacht mijn antwoord niet af en begint voorbeelden op te noemen van manieren waarop een mens zou kunnen sterven. Zo heb je verdrinking, moord en zelfmoord, sterven in je slaap, door een ziekte de pijp uit gaan en door een ongeluk om het leven komen. Terwijl hij met zijn opsomming bezig is probeer ik na te denken over zijn vraag. Hoe zou ik dood willen gaan? Ik vind het lastig aangezien ik helemaal niet dood wil, voorlopig niet althans. Ik kan me voorstellen dat als ik 95 ben en volledig incontinent, invalide, dement en zonder menselijk contact mijn dagen uitlig in een in hoogte verstelbaar bed in een verzorgingsoord met chronisch te weinig personeel zodat ik doorligplekken krijg, ik misschien wel de voorkeur geef aan het hier niet meer zijn, maar vooralsnog moet ik vaststellen dat ik door de bank genomen het best aardig vind hier. Nait verkeerd, zeg maar. Maar goed, dood gaan we allemaal en op wat uitzonderingen na valt er niet zoveel te kiezen en daarom spelen we dit spelletje, net zoals met die miljoenen die je ook nooit in de staatsloterij wint maar wel over fantaseert. Zo wonen wij in een volksbuurt ten westen van Groningen, maar wanen wij ons in het heetst van het spel in een lommerrijke buurt met Jugendstilpanden in de binnenstad. Een mens moet wat te verlangen hebben, nietwaar.

Hij kijkt me aan met zijn grote bruine ogen die hij van mij heeft en zijn mond vol iets dat men ‘ontbijtgranen’ noemt maar weinig weg heeft van granen. ‘Nou mama, wat wordt het?’

‘Ik denk dat ik dan iets kies dat snel voorbij is. Gewoon boem dood. Of in mijn slaap overlijden, dat lijkt me ook wel wat.’

‘Boem dood zoals opa Slava? Die knalde toch met zijn slaap tegen een rots en was op slag dood?’

Ik merk dat ik steeds minder een brok hoef weg te slikken als mijn overleden vader spontaan wordt genoemd. Vroeger barstte ik wel eens in tranen uit als iemand me zonder waarschuwen mijn papa voor de voeten gooide.

‘Ja zoiets ja. Ik denk dat hij op slag dood was, dat hij niets van heeft gemerkt. Niet een heel slechte manier van er tussenuit piepen. Wel wat minder leuk voor ons alleen.’

‘Maar niet heel praktisch. Om nou allemaal te gaan vliegen om dood te kunnen gaan…’

En voor ik het doorheb is iedereen al weer met iets anders bezig en denk ik nog even na over de dood. Over hoe ik zei toen mijn papa stierf dat ik niet zoveel problemen met de dood had, maar dat het feit dat ik hem nooit meer kon zien, aanraken, horen of ruiken me oneindig verdrietig maakte. En hoe iemand toen voorzichtig tegen me zei dat dat de definitie van doodgaan was en ik fluisterde dat ik doodgaan dan toch niet zo fijn vond.