Verkeershufter

Dat was even heel erg schrikken.
Met mijn kinderen uit school in de regen naar huis op de fiets, wachtend om een drukke straat over te steken. Komt er een auto vanuit die straat ons straatje ingereden, bocht veel te krap genomen zodat ik bijna van mijn fiets word gesjeesd. Ik schrik, de auto blijft naast me staan, half op de grote weg, bestuurdersraampje naast mijn fiets.
ik probeer naar binnen te kijken. Wie zit daar, wat wil hij. Ja, zo iemand is een hij, testosteron als een slakkenspoor achter de wagen aan. Twee paar zwarte ogen staren terug. Koud, neerbuigend, boos. Waarom boos, denk ik en daar gaat dat raampje al open.
‘Wat moet je, heb ik wat van je aan? Wat staar je me aan kutwijf. Eerst staar je de hele tijd naar de weg en nu zit je weer mijn ogen op te zoeken. Je moet oppassen. Je moet oppassen, weet je. Waarom zit je te kijken?’
Ik haalde mijn schouders op. De man voelde zich aangevallen. Hij maakt een fout en het ligt natuurlijk aan een ander. Die ander die hem recht aanstaart. Dat is hij niet gewend. De meeste mensen kijken weg. Zijn bang. Ik was nu ook bang. Bang om te ontploffen en een mes tussen mijn ribben te krijgen, maar met de grootste moeite deed ik of dit alles me niet bang maakte, of zijn agressieve gedrag en die cocaine-ogen me geen reet deden.
Ik haalde mijn schouders nogmaals op. Ik zou niet zeggen dat hij in de fout ging. Ik zou niet mijn gelijk gaan halen. Ik zou niet bijdragen aan escalatie, want op escalatie stuurde hij duidelijk aan. ‘Ik heb geen idee waar je het over hebt,’ zei ik en bleef hem aankijken. Hij zat zich geweldig op te vreten en besloot uiteindelijk dat er geen eer te behalen viel aan dit door hem ge├źnsceneerde opstootje met die rare vrouw die alleen haar schouders stond op te halen.
‘Laat ook maar, kutwijf’ en weg was de dure pooierbak met achter het stuur de man met het doorgesnoven hoofd.
We bleven even staan. We hadden geen woorden. Toen staken we de straat over een reden in stilte naar huis.