Znežanka: een klein stukje

We hebben niet gepraat tijdens onze wandeling. Wel had ik die nacht een droom waaruit ik tergend langzaam wakker werd, de roze armpjes van mijn ingebeelde dochter stevig om me heen geklemd. ‘Mama, mama’ had ze gefluisterd, ‘mama, wordt
wakker, ik ben hier en ik ben niet boos op je.’ Als een mantra herhaalde ze de
woorden die mij als versuikerde stroop uit de nachtzwarte diepten sleepten. Ik had naar haar gekeken toen ik eenmaal aan de overkant was. Ze zat naast me op het bed, een roze nachtjapon aan, haren in twee piggyvlechtjes en zo echt dat als je me op dat moment had gevraagd of mijn dochter bestond, ik alleen met ‘ja’ had kunnen antwoorden. Ze zat hier, naast me, haar haren roken naar watermeloenen en ik kan uren doorgaan met de details van haar echtheid opsommen. De paarse elastiekjes aan
het einde van de vlechten, het vriendschapsbandje dat ik haar had gegeven om haar linker pols, de donshaartjes op haar benen en haar ogen groot en blauw en bezorgd.
Dit hier was mijn kind, mijn kind van vlees en bloed. Mijn dochter. Ik had de
stemmen in mijn hoofd gehoord, als afgetrainde waakhonden, die me
toeschreeuwden dat ik niet over de rand moest kijken, dat ik me hiertegen diende te verzetten, dat mijn mantra niet moest zijn dat ze hier was, maar juist dat ze er niet was. Op een moment als dit wilde ik het liefst volledig verdwijnen in mijn
sprookjeshoofd, nooit meer in een werkelijkheid leven waarin mensen woonden die mij vertelden dat dit alles niet bestond of waar was, terwijl het bewijs van het tegendeel op nog geen tien centimeter afstand van mij zat.

Mensen die beweren dat iemand als
ik gek is en dingen verzint en bedenkt en ziet die niet echt zijn, zijn nog nooit gek
geweest. Als je gek bent geweest weet je namelijk dat al die stelligheid als een
zandkasteel aan de vloedlijn is. Een stevige golf en het is gebeurd met je stelling. Weggespoeld door de nieuwe werkelijkheid.