Te oud om na te fluiten

Gisteren op de fiets van Vinkhuizen naar de binnenstad werden mij hitsige woordjes toegesist. Dat gebeurt wel vaker, ja echt, en mijn reactie is meestal doen alsof ik oostindisch doof ben of maar een beetje schaapachtig lachen. Ik kon niet precies verstaan wat deze meneer mompelde, maar hij zag lange bruine haren en dat bleek vast genoeg trigger te zijn. Sommige mensen hebben weinig nodig om opgewonden te raken, niet waar.

Het was niet zo erg als die keer lang geleden toen ik bij het Emma viaduct stond te wachten voor het stoplicht en een jongen op een brommer naast me kwam staan en me toefluisterde dat hij graag mijn tampon wilde zijn. Ik weet overigens niet hoe ik op deze ontboezeming reageerde. Achteraf ben ik altijd heel goed van de tongriem gesneden maar ik vermoed dat ik ook deze keer helemaal niets wist te zeggen. Het was dan ook een vreemdsoortig compliment.

Afijn. De geile achteropfietser kwam naast me rijden en keek met glinsterende ogen opzij. Ik keek ook opzij en zag de glimlach op zijn smoelwerk verdwijnen. Hij keek de andere kant op en fietste snel door. Ik wist niet of ik moest lachen of huilen maar besloot dat ik niet iedereen kan plezieren dus barstte ik maar in lachen uit. Nu had ik ook wel mijn lippen naar binnen getrokken en was ik bezig met een soort spookje-zonder-kunstgebit gesprek met mezelf (ja ik ben niet helemaal in orde, dank u), dus ik kan die man theoretisch gezien de stuipen op het lijf hebben gejaagd, maar ik vermoed toch dat de man mij van hoekje a naar hoekje b heeft verplaatst. Om preciezer te zijn: van lekker geil wijf heeft gedegradeerd tot niet-neukbaar vrouwspersoon van de derde helft. Op Saar Magazine las ik gisteren dat iemand voor deze aparte vorm van ghosten een naam heeft bedacht: graniolen. Deze fucker op zijn fiets had mij gegranioold. Het allersneuste was nog dat hijzelf minstens in de winter van zijn leven zat.

Ik weet mij de eerste keer dat ik gewogen en te oud werd bevonden nog goed te herinneren. Ik liep langs een roedel bouwvakkers die opkeken van het stenen leggen en toen allemaal in een beweging weer doorgingen met hun werkzaamheden. Ik ben toen gestopt en heb gevraagd waarom niemand naar me floot of iets zei over bosjes hout voor de deur. Je zag ze wat ongemakkelijk bewegen. Een bouwvakker gaf antwoord: ‘Je bent te oud.’ Daar moest ik even over nadenken. Te oud, ik? Ik was 35, is dat te oud om nagefloten te worden? De man knikte. ‘Als je nou in kort rokje voorbij zou komen of met een strak topje aan, dan zouden we nog een uitzondering maken. Maar we moeten ergens een grens trekken. Anders blijven we fluiten, snap je?’ Hij trok verontschuldigend zijn schouders op. Ik was gegranioold door een stel bouwvakkers met bierbuiken en reetspleten en het enige wat ik kon denken was: ik ben te oud.

Om dit stukje niet op depressieve noot te eindigen kan ik zeggen dat mijn oogleden weliswaar wat zijn gaan hangen, en ook een paar andere delen aan mijn lijf wel, maar dat ik verder toch aardig content met mezelf ben. Ondanks het ouderdomsghosten van sommige mannen in de openbare ruimte.