Piano

Er staat sinds gisteren een piano in mijn woonkamer. Ik heb hem zelf hierheen verhuisd. Af en toe kijk ik op van de eettafel en zie ik hem staan. Hij is erg lelijk. Ik denk dat ik nog nooit zo’n lelijke piano heb gezien. Lichtbruin, gebutst en gedeukt, stukken hout die de verkeerde kant op staan. Als kers op de taart de naam ‘Yasmijn’ met bezinestift op de bovenkant. Ik kan me niet voorstellen dat ze bang was dat iemand hem zou stelen, maar toch heeft Yasmijn voor de zekerheid haar naam vereeuwigd op de lelijke piano.

De lelijkheid van de piano is niet de reden dat ik de klep niet opensla en mijn vingers laat kennismaken met de toetsen. Wat de reden precies is kan ik niet zeggen, ik ben daar nog over aan het nadenken. Ik zat vroeger op pianoles en het was geen succes. De leraar had het beter als weekdier in de oceaan gedaan dan als pianoleraar. Ik moest klassiek spelen en ik wilde ragtime en jazz en blues. Dat mocht pas als ik klassiek had gedaan en dus deed ik nooit mijn best. Aan vingerzettingen deed ik niet. Ik trok gewoon mijn handen op als ik een paar toetsen verderop moest zijn. Het maakte de pianoleraar niet boos maar moedeloos. Dan schudde hij zijn kalende hoofd met van die eenzame plukjes haar aan de zijkant en liet hij een verdrietige zucht aan zijn bloedeloze lippen ontsnappen.

‘Nee, Bronja. Zo speel je geen piano. Je moet eerst doen wat je hoort te doen voor je je eigen plan mag trekken.’

Dat heb ik na de verdrietige pianolessen nog heel vaak gehoord. De hoogleraar aan de UvA die mijn onderzoeksvoorstel afkeurde omdat ik te veel van mezelf en te weinig van de belangrijke mensen die er toe deden had laten zien. Mijn hele studie had ik dat gehoord, en zelfs toen ik klaar was stopte het niet. De man van het radioprogramma waar ik werkte die vond dat ik eigenwijs was en me niet aan de regels hield door anderen mijn items te laten monteren (dit is 12 eeuwen geleden) om me zo volledig op de interviews te kunnen concentreren. Door te lange items te maken.

‘Je bent Hanneke Groenteman niet, Bronja,’ zei hij dan. ‘Als je later groot en beroemd bent en je sporen hebt verdiend, mag je vast je eigen programma, maar hier heb je vijf minuten en monteer je je eigen items.’

Thuis op de piano oefenen was ook geen succes. Aan het einde van de dag was mijn vader moe en prikkelbaar en had hij geen zin in mijn geploeter op de piano. Ik kan niet zeggen dat ik hem niet begrijp, maar al met al maakte het van het piano-avontuur een debacle.

En nu zit ik dus aan de eettafel naar het lelijke kreng te kijken en voel ik weerstand. Ik wil spelen maar ik vertik het. Ik ben boos op de piano en heb het spelen ook gemist. Ik weet niet hoelang ik deze stand down volhoud.