Slachtoffers

Ik wil niet dat mensen zich laten slaan, dat mensen zich laten verwaarlozen. Ik wil dat mensen zich verzetten tegen woorden die hen pijn doen, tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan. Ik wil dat slachtoffers sterk zijn.

Het is wel eens voorgekomen dat ik de behoefte voelde een slachtoffer te slaan, te duwen, op mijn tenen te gaan staan en met een spervuur van woorden hem of haar te bewegen tot actie. Iets, wat dan ook. Maar niet niks. Ik kan niet tegen de holle ogen van slachtoffers en ik weet dat het veel over mij zegt. Ik wil wakker schudden, ook al is dat niet aan mij. De aanblik van onrecht vervult mij ook met iets dat op walging lijkt en een haast gewelddadige behoefte te beschermen, in plaats van het zo gewenste mededogen en barmhartigheid. Het liefst ga ik slachtoffers daarom uit de weg, maar zoals dat gaat in een mensenleven: soms vinden zij mij.

Ooit, toen ik nog rond en zacht was en stage liep op een peuterschool was daar het jongetje met de eczeem. De uitslag zat overal en de jeuk moest vreselijk zijn maar hij krabde niet, in elk geval niet daar tussen het houten speelgoed en de zachte lichtinval. Hij zat in de kring en zweeg. Holle, grote ogen vol lusteloosheid. Hij speelde nooit. Als de andere kinderen elkaar bewerkten met een antroposofische blokkendoos, keek het mannetje toe met zijn hoofdje vol korsten en al die tijd zei hij geen woord. Ik voelde gelijk dat dit jongetje een slachtoffer was. Het jongetje wist ook dat ik het wist. Vanaf de eerste dag dat ik er kwam werken liep hij waar ik liep en waakte ik over hem. Mijn bloed kookte. Wie durft een klein jongetje zoveel angst en stress of pijn te doen dat het zijn lichaam eruit laat zien als een pokdalige maanlandschap? Wie denkt dat hij zoveel macht heeft, wie is zo onbezonnen of egocentrisch dat het lot van een kind je zo weinig doet? Ik wilde het kind ontvoeren, zijn ouders aan een staak rijgen, maar het ergste van alles was dat ik naast mijn enorme beschermingsdrang ook afkeer voelde van het hulpeloze zakje botten met het roodgevlamde vel en die afkeer lag niet aan zijn uiterlijk.

Ik denk liever niet na over het waarom achter dit gevoel, het waarom van dat unheimische dat een hulpeloos en moegestreden slachtoffer bij mij opwekken kan. Als ik dat dan toch zou doen zou ik, natuurlijk volkomen hypothetisch, zeggen dat het komt omdat ik niet van zwakte houd, maar dat hardop zeggen, zegt zoveel over mij dat ik het liever ongezegd en ongeschreven laat.