Kijkje in de keuken

Ik weet niet of er mensen geïnteresseerd zijn in een kijkje in de keuken van een schrijver die aan de ene kant volkomen geaard is en aan de andere kant zo onzeker dat het nog bijzonder is dat ze niet tot stof is vergaan, maar voila, u staat op het punt hierover te lezen. U kunt nu nog beslissen om weg te klikken, even goede vrienden verder.
Dat die beurs bij het Letterenfonds niet doorging, daar kon ik nog heel best mee leven. Met wat daarna kwam iets minder. Ik had namelijk het idee opgevat om een uitgebreide motivering van die afwijzing op te vragen, dat kon dus ik dacht, kom ik doe het. Daar kun je alleen maar van leren, niet waar?

(Omdat dit een kijkje in de keuken was zal ik u nu vertellen dat ik eigenlijk zin heb om met mijn hb-potlood in mijn moleskineboekje te rammen en dat ik de koorts voel oplopen, maar dat kan ook de overgang zijn of godverhoede emoties die ik maar matigjes onder controle lijk te hebben, maar uiteraard is uiterlijk niks aan mij te merken en type ik zoals altijd met dubbele onderkin, schermpje van mijn telefoon dichtbij mijn ogen – een overblijfsel uit de tijd dat ik met min elf door het leven ging en dat nu net zo overbodig is als een verstandskies – en de vrolijke, luchtige dispositie van een vrouwtjesluiaard. Niks aan de hand mensen, ik ben volkomen relaxt.)

Anderhalve maand pruttelden de woorden van het Fonds der Letteren na. Het Fonds, toch slechts en alleen hét hoogste orgaan dat echte literatuur van quatsch scheidt, dat als enige vlijmscherp de demarcatielijn mag tekenen tussen Waar en Onwaar, Heus en Onheus, tussen Chosen en bad egg. En nu, anderhalve maand later kan ik u verklappen dat ik wel het een en ander heb opgestoken van woorden als ‘onbevredigende leeservaring’ en ‘geringe literaire kwaliteit’. Ik heb geleerd dat dergelijke woorden mij behoorlijk van mijn stuk kunnen brengen.

Niet stoer hè, ik weet het. Ik zou eigenlijk moeten schrijven dat het me geen reet kan schelen, dat ik autonoom en onversaagd mijn koers blijf varen, eigenlijk zou ik hier helemaal niet over moeten schrijven natuurlijk, want wie wil er nou die zielige verhalen over schrijvers met existentiële angsten lezen, over angst voor afwijzing, over kleine fragiele zieltjes en stiekeme verlangens. Ik weet het allemaal en toch moet u het hiermee doen. Ik heb dus geleerd dat dergelijke kritiek mij doet wankelen en (dit duurde iets langer, ik geef het toe) godzijdank ook dat ik nog steeds kan en mag schrijven van mezelf. Dat ik dan misschien nooit zal behoren tot de Literaire Goden van dit land – en ook nooit tot de Literaire bijgoden, halfgoden of onwettige kinderen van Literaire Halfgoden – maar dat ik desalniettemin mag en moet blijven schrijven van mezelf. Ik heb mijn eigen stem en daar moet ik dan maar naar luisteren. Die stem is niet verfijnd, minimaal en modieus, die stem is emotioneel en direct, overvol. Ik hoop er mensen mee te raken, maar zoals ik al schreef: in ultimo schrijf ik omdat ik niet anders kan en wil.

Dat is wat ik bedoel met ‘volkomen geaard’. Ik mag dan misschien gekwetst zijn als ik hoor dat ik literair niet zoveel voorstel, in mij woont een mini-Bronja die zo geniet van het schrijven, van het raken van een paar mensen. Een mens die zielsgelukkig is dat ze haar baan als journalist opgaf en geen cent te makken heeft om dat te doen wat ze altijd al heeft willen doen: kijken en schrijven.

Misschien toch autonomer en onversaagder dan ik dacht.