Het slaan van mensen

Het geluid van een vuist tegen een gezicht. Als je het vertraagd zou afspelen dan hoorde je eerst brekend hout, gevolgd door iets dat klinkt alsof je een natte spons uitknijpt. Ik had dat geluid al een paar jaar niet meer gehoord, tot gisteren. Splinters, en dan dat nare zuigende erachteraan. Ik lag in bed met koorts en zou nu een verhaal kunnen ophangen over dat ik eerst dacht dat ik ijlde, maar de waarheid is dat ik meteen wist wat ik hoorde. Ik kneep mijn ogen stijf dicht, probeerde het te negeren. Het ging niet weg, daar was het weer, kkkrrrrzzzzzj, gevolgd door geschreeuw, gestamp en nog veel meer geschreeuw.Ik deed mijn ogen weer open en stond moeizaam op. Mijn stappenteller gaf aan dat ik die dag vier minuten actief was geweest.

Ik keek naar buiten. Daar, de buurman van de buurman, de schreeuwaap die elk jaar opnieuw de Vinkhuizer Tokkie vh jaar bokaal wint, hij duwde net zijn puberzoon van het paadje in zijn voortuin. De jongen viel om, schreeuwde dat hij de politie ging bellen om te melden dat zijn vader hem mishandelde. De politie wist wel raad met klootzakken als hij. De vader sloeg hem nogmaals, hard. Dit keer met een vuist tegen de schouder. Hij schreeuwde naar de jongen dat hij hem dood zou maken als hij ooit nog een poot op zijn erf zette. Ik kromp ineen. Bloed stuwde veel te hard achter mijn slapen. Ik had het raam al opengedraaid en hing met mijn ongekamde hoofd naar buiten en mijn mond open om tegen de bokaalhouder te schreeuwen dat…, toen tot mij doordrong dat ik dat al eens eerder had gedaan. In ditzelfde huis, alleen dan aan de andere kant, de kant die uitkijkt op de brandgang en de tuinen van de achterburen. En dat die keer mij niet zo goed was bevallen. Ik had dat voorval tot een anekdote gemaakt, iets waarover ik kon vertellen zonder veel emotie. Daardoor was ik gaan geloven dat het me niets (meer) deed. Ik had ongelijk. Ik voelde nu juist heel veel en dat wat ik voelde was ongeschikt als borrelpraat.

Met moeite wist ik de opkomende paniek te onderdrukken en het raam te sluiten. Ik zou niet tegen de mannen schreeuwen dat ze op moesten houden. Ik zou niet schreeuwen dat ik de politie ging bellen. Ik zou niet tegen de jongen schreeuwen dat hij weg moest rennen. De jongen zou me niet tijdens het wegrennen aankijken en ‘dank je’ mimen. Wat ik wel deed is met overslaand hart en ongewenste flashbacks maar een beetje daar staan, met mijn telefoon in de hand, klaar om weer 112 te bellen, zoals die keer toen de achterbuurman mij, mijn 1-jarige zoon en mijn nog ongeboren kind met de dood had bedreigd.

Mijn hoofd deed raar. Mijn hoofd doet raar als ik ziek ben en koorts heb, dan is het net of mijn gedachten niet meer van mij zijn, maar nu kwamen er ook flarden van de gebeurtenis van negen jaar geleden bij. Nou ja, flarden.. Ze waren zo levensecht dat ik toen en nu niet goed meer wist te scheiden.Ik zag me zitten in de werkkamer, met mijn dikke buik achter het bureau. Ik was bezig met een boekje voor het Tropeninstituut. Het was heerlijk werk. Iets ving mijn aandacht. In mijn ooghoeken beweging in de tuin van de achterburen. Ik draaide mijn hoofd en zag de man die Dzjengis Khan heet zijn vrouw heel methodisch en zonder noemenswaardige emotie in elkaar slaan. Krrrrzzj bam kkkrzzzj bam ging de vuist. Het geluid van een vuist tegen een gezicht. Hij hield met de ene hand het haar van Janet vast en met de andere regenden de knokkels en de pijn op haar hoofd. Het was klaarlichte dag en de buurman stond de buurvrouw vakkundig kapot te slaan. Niemand sprak een woord, hij sloeg in volkomen stilte, zij incasseerde in volkomen stilte. Ze viel en toen kwamen de voeten van Dzjengis Khan in actie, schop schop tegen het hoofd van Janet. Weer omhoog bij de haren en door. Ik had het raam al opengedraaid en hing met mijn ongekamde hoofd naar buiten voor ik door had wat ik deed. Het enige wat ik dacht was dat hij moest stoppen met doen wat hij deed. Ik riep hem. Ik riep zijn naam en zei dat hij moest stoppen met wat hij deed. Ik weet nog dat zijn vuist halverwege een stoot pauzeerde. Het zag er komisch uit, behalve dan dat er niets komisch aan was.

Hij stond daar maar, de zwarte haren van Janet in zijn ene hand en de andere hand in de lucht alsof hij haar wilde scalperen. Ik schreeuwde nogmaals. Laat haar los. De buren van Dzjengis deden hun gordijnen dicht. Mijn buren deden hun ramen dicht. Niemand keek terwijl stiekem iedereen keek. Ik weet nog hoe het me verbaasde, deze lafheid. Een vrouw wordt tot moes geslagen en jij sluit ramen en deuren en loert door de spleten. Ik schreeuwde tegen Janet dat ze weg moest rennen, zij schreeuwde tegen mij dat ik de politie moest bellen. God ja. De politie. Ik pakte mijn telefoon en belde 112. Ik keek op en tot mijn vreugde Janet door de brandgang wegrennen.. En toen zag ik hem. Hij stond voor mijn hekje, een armetierig vod waar zelfs mijn dreumes wel raad mee wist. Wat volgde was een gesprek tussen mij en de dame van 112 aan de ene kant en Dzjengis die over mijn hekje stapte en mij in het Servo-Kroatisch de dood bedreigde aan de andere kant. Hij liep naar mijn achterdeur. Had ik die opengelaten? Ik ga je doodmaken, vieze hoer. In het Nederlands. Ik schreeuwde dat de politie kwam en keek mijn werkkamer rond naar iets waarmee ik me kon verdedigen. De dame van 112 bleef ondertussen tegen me aanpraten, ze wilde dat ik aan de lijn bleef, zodat ze kon horen wat er gebeurde.

Het gekke is dat ik het einde niet meer weet. Ik weet wel dat de politie me later ondervroeg, dat ik op het bureau aangifte deed en dat Janet me kwam bedanken dat ik haar een kans op een nieuwe start had gegeven. Ik weet ook nog dat mijn buurman die avond voor mijn deur stond en me indirect bedreigde. Ik had zijn vriend van hem afgepakt, of ik de aanklacht wilde terugnemen. Ik herinner mij de brief een jaar later waarin stond dat niet tot vervolging werd overgegaan. Zij had haar aanklacht ingetrokken en mij had hij slechts bedreigd.

Ik stond bij het raam met mijn telefoon in de aanslag. Ik wilde weer schreeuwen dat hij op moest houden, maar deed het niet.