Ode aan Amsterdam

Amsterdam is…

Ik sta al meer dan twaalf jaar ingeschreven voor een huurwoning in de gemeente Amsterdam. Dat ik er al elf jaar niet meer woon mag de pret niet drukken, want hoewel de eerste paar jaar het met name een kwestie van gedachteloos verlengen was, is het de laatste jaar vooral een soort principekwestie geworden. Mij krijgen ze er niet onder, ik blijf ingeschreven tot ik in aanmerking kom voor een fijne woning in een leuke wijk ergens in mijn voormalige woonplaats. Met je dichtgegroeide woningmarkt. Dat ik Amsterdam een kutstad vind doet er ook niet toe.

Ik woonde op drie plekken in Amsterdam en naar alle drie wil ik, zelfs niet met een zak geld toe, terugkeren. Alhoewel, naar eentje misschien toch, met iets van lichte dwang en alleen als er nergens anders (behalve in Eindhoven, daar wil ik niet dood gevonden worden maar dat is weer een ander verhaal) opvang voor mij is. Als eerste woonde ik aan de John Franklinstraat in de Baarsjes. Op steenworp afstand van dat groezelige Mercatorplein waar ik met enige regelmaat voor vieze teringhoer werd uitgemaakt, maar dat zal ik wel hebben uitgelokt met mijn wapperende haren en deinende borsten. Op straat was het erg maar in mijn onderhuurwoning vele malen erger. Ik woonde daar namelijk samen met een compleet geoutilleerd bataljon kakkerlakken en hoewel ik in die tijd nogal eenzaam was had ik er bij keuze liever alleen gezeten dan samen met 1500 kakkerlakken. Ik had toch niks beter te doen dus bracht ik mijn dagen door met het observeren van mijn huisgenoten. Ze opereerden het liefst in vluchten, roedels, zwermen of hoe je zo’n godvergeten kudde beesten ook moet noemen. Een enkele keer trof ik een brutale enkeling bij het ontwaken tussen mijn zweterige borsten, of als ik een pak hagelslag van de plank trok, maar dat waren de uitzonderingen. Als ik ’s nachts iets uit de keuken wilde pakken en het licht daar aandeed, trok de zwarte plaag van links naar rechts over de muur voorbij onderwijl een omineus woesjend geluid makend. De eerste keer dat ik dit onverwachte spektakel mocht meemaken dacht ik dat ik er in bleef, daarna was ik erop voorbereid maar wennen deed het nooit.
Bij strijklicht werden ze actief, dan vond een migratie door mijn woonkamer plaats, elke avond weer opnieuw mocht ik aanschouwen hoe het gedisciplineerde ongedierte oostwaarts trok over de muren van dit gruwelhuisje in wat nu hipsterwalhalla schijnt te zijn. En je weet het hè, deze taaie rakkers overleven een nucleaire fall-out en verdwijnen dan misschien even nadat je kill-a-roach belt, maar uitroeien doe je ze niet. Eens per half jaar kwam zo’n marsmannetje het gebouw met het gruwelijke gif besproeien en dan moesten alle bewoners tijdelijk weg. Als je weer terugkwam lagen overal dode kakkerlakken en stonk het er gruwelijk. Na een paar weken lieten de taaiste insecten zich echter weer zien, eerst klikgeluiden makend en later als het bataljon weer compleet was met dat akelige woesjgeluid, waarna het hele verhaal weer opnieuw begon. Mijn astma kwam ook weer terug in deze periode, ik vermoed door een combinatie van het ziekteverspreidende schorriemorrie en de sap des doods die werd ingezet om ze uit te moorden.

Ook het wonen wat verderop in Osdorp was geen onverdeeld genoegen. Sterker nog: het was de hel. Ik woonde aan de Nicolaas Anslijnstraat, met uitzicht over de Sloterplas, wat fantastisch zou zijn geweest als de afslag van de a10 niet pal onder mijn raam had gelopen. Elke avond maakte ik mijn neusgaten schoon, net als ik had gedaan toen ik nog rookte. Mijn longarts verdiende nog steeds goed aan mij. De teringherrie was oorverdovend. Als ik oordopjes in deed en niet naar de auto-en tramsoep beneden mij keek was het naar buiten kijken soms relatief meditatief. Ik voelde mij alleen niet zo thuis in Osdorp, weinig overeenkomsten tussen de geblondeerde pantervrouwtjes en de moslims uit Nieuw-West en uw schuwe Noorderling. Ik verstond in elk geval niemand.

Ik heb ook in de Bijlmer gewoond, maar dan bij de ouders van mijn man. Ik denk dat vooral dat inwonen bij de schoonouders mijn mening over Zuidoost heeft gekleurd, dus vandaar het ‘laatste mogelijkheidscenario’ dat ik eerder beschreef. De eerste keer dat ik op Ganzenhoef uit de metro stapte en met de roltrap naar beneden ging kwam ik in een andere wereld terecht. Ik zag bijna alleen maar zwarte mensen, hoorde nauwelijks Nederlands en rook allemaal geuren die ik niet kende. Ongelooflijk, dacht ik, dit is ook Nederland! Ik vond het niet onprettig, maar ik, iemand uit Groningen die daar op de Vrije School heeft gezeten in de jaren 70 en 80 en daarna in diezelfde stad naar de universiteit ging, was niet gewend aan veel kleurvariatie in het spectrum mens. Ik was zelf meestal de donkerste. De flat zelf was oerlelijk, de ouders van mijn man woonde op de 4500e verdieping en de bijzondere geuren die ik op straat voor het eerst rook werden penetrant en onaangenaam in dit microklimaat. Geen kakkerlakken, wel overal muizen. In de zomer stond de verwarming in de metro altijd standaard op 40 graden en de stem die de metrostations aankondigde was aangetast door hetzelfde virus dat ooit gehakt maakte van de stembanden van Darth Vader. Samen met de tropische hitte en de stank maakte dat het ritje van de stad naar huis een beproeving. Iemand had mij op het hart gedrukt niet de laatste metro naar huis te nemen en zeker niet op de laatste halte uit te stappen. Kraaiennest was niet meer het Sodom en Gomorra van weleer, maar heel fris zou het er niet zijn om half twee ’s nachts. Natuurlijk belandde ik een keer knettertjelam in de allerlaatste metro, alwaar ik in slaap viel en wakker werd door de Mordorstem van de omroepster die zei dat dit de eindhalte was en dat de metro hier zou blijven staan. Volslagen benevend strompelde ik de metro uit. Het was twee uur ’s nachts, het stonk er naar pis en kots en het was aardedonker. Op de tast zocht ik de uitgang. Er was iets van een lift maar zelfs met mijn dronken harses kon ik nog inzien dat het misschien een minder briljant plan zou zijn die te nemen. Bij de trap stonden een paar mannen te wachten. Geen idee op wie. Ik voelde me helemaal de provinciaal die ik was en haastte me naar beneden. Op de trap zaten mannen met zilverpapiertjes en aanstekers te klooien. Ik deed mijn telefoon aan en met het licht dat daaruit kwam vond ik mijn weg terug naar de Gouden Leeuw.

Maar goed. Ik sta dus al twaalf jaar ingeschreven in deze Parel van Nederland en wacht met smart op de dag dat ik een huis aangeboden krijg dat ik dan vervolgens met al mijn opgespaarde frustratie kan weigeren.