Leuk man, vakantie

Soms vraag ik me af waar ik het in godsnaam allemaal voor doe: op vakantie met de kinderen. In chronologische volgorde hier een hapsnap opsomming van momenten dat ik dacht: beam me up, Scotty, ik wil overal zijn behalve hier.

Op de boot naar Vlieland gemekker over de slechte WiFi en te lam om de vlieger even op te pakken, ook al vraag ik het 700 keer, zodat een argeloze voorbijganger eroverheen lazert en de vlieger al voor we op het eiland aankomen naar de eeuwige vliegervelden is gevlogen.
Van de boot af begint het gemiemel wie wat draagt, of eigenlijk vooral wie wat niet wil dragen. Uiteindelijk dragen papa en mama alles en lopen de twee knapen met een plastic zandemmertje en een plastic kleuterschepje het hele eind naar de camping. Vet zwaar, man.

‘Sjeesus, wat is het heet hier, zeg! Ik zweet me de tandjes!’, zegt nummer een van onder een gevoerd vest met dito capuchon ver over het voorhoofd getrokken.

‘Er zit overal zand, gatver.’

‘Er is niet genoeg wind om te vliegeren.’

‘Er is te veel wind om te vliegeren.’

‘Mama! Doe eens iets anders aan! Wat je nu aan hebt kan echt niet! Ik zie je tieten!’

Jongste is boos op oudste omdat hij de tentakels van de zandoctopus niet netjes genoeg afwerkt. Oudste is boos dat hij de twee van zijn zakgeld gekochte donuts niet als avondeten mag opeten, en dit dan elke dag opnieuw. Oudste klaagt over buikpijn en als wij hem dan uitleggen dat er wellicht enig verband bestaat tussen de donuts en de pijn is het weer hommeles. Jongste is het niet eens met elke dag tandenpoetsen. ‘Zoiets is toch onzin als je op vakantie bent?’ vindt hij. Jongste wil niet dat zijn broer even zijn slippers leent , ‘met zijn vieze voeten’, oudste wordt hysterisch als jongste per ongeluk zijn pyjama krijgt.

Elke dag oeverloos gejeremieer over hoe goor het eten is op de camping, soms maak je de ene blij met macaroni en is de ander in zak en as, de andere dag is de ander blij met pannenkoeken en krijgt de ander een sikkepit omdat hij ‘pannenkoeken haat.’ Gelukkig groeit het geld ons op de rug en eten we weer patat en pizza in de campingvreetschuur.

Net op het moment dat ik door de grond wil zakken, de aarde smeek om me te verzwelgen, zie ik het overbuurjongetje compleet uit zijn plaat gaan omdat hij de voetbal niet mag. Hij loopt rood aan en staat met al zijn 100 centimeter te trappelen en schoppen alsof zijn leven ervan afhangt. Ik zie de wanhopige ouders ernaast staan, en kan alleen maar denken ‘oh God ja, de terrible twos! Ik was bijna vergeten hoe rampzalig die leeftijd kon zijn.’ Een soort opgeluchte weemoed maakt zich van mij meester.

Ik kijk om me heen om te zien wat mijn nageslacht aan het uitvreten is en zie ze op het bankje voor de tent zitten. Heel dicht tegen elkaar aan, de ene met zijn arm om de schouder van de ander geslagen. Dan denk ik aan gisteren, hoe ze zij aan zij aan het vliegeren waren, een gelukzalige blik in hun ogen en aan hoe ze samen met een vriendje elkaar op het strand aan het ingraven waren, compleet met piemels en tieten en een boze strandbuurvrouw die het ‘absoluut niet vond kunnen’ en ik die de slappe lach kreeg toen ze pinnig wegliep om tien meter verderop in rust verder te kunnen wegrimpelen in de zon.
Ik denk aan hoe ik ze ’s avonds in hun slaapzak stop en hoe heerlijk en voldaan ze in slaap vallen en aan de jongste die elk jaar opnieuw zo blij is als hij de meeuwen weer hoort krijsen.

Dan weet ik waar ik het allemaal voor doe, vakantie vieren met mijn kinderen. Iets met yin en yang, of zo.