Wind

Mijn kinderen houden van vliegeren. ‘Als ik vlieger voel ik me vrij,’ zegt de oudste. We staan op het strand van Vlieland en de wind is ruig. Op de camping leek het niks te worden, maar eenmaal over de duinen beukte de noordenwind ons bijna van onze slippers. ‘Ik hoop dat de vlieger het houdt,’ brul ik als ik de glanzende ogen van mijn zoon zie. Hij staat 30 meter verderop met twee spoeltjes in zijn handen vol ongeduld te wachten tot ik de vlieger in de lucht gooi.

Gisteren was er niet genoeg wind en de wind die er was was wispelturig. Even aanzetten en dan vlug afzwakken. De vlieger reageerde op de windkuren als een teleurgestelde hond. Kopje naar beneden, een en al pathos. Maar dan draaide de wind weer om hem heen en vergat hij zijn pruillip. Van dodelijk bedroefd naar volledige overgave, slaaf van de windkracht. Misschien is een vergelijking in het puberspectrum beter op zijn plaats.

Ik gooi de vlieger omhoog. De wind zet zijn klauwen in het doek en sleurt hem mee omhoog, hoger, steeds hoger. Ik hoor de oerkreet van mijn zoon en zie hoe het magere lijfje bijna van het strand wordt opgetild. De armen recht en strak . ‘Ja! JA!, ‘ schreeuwt hij. ‘Ik ga nu mijn ogen dicht doen. Voelen wat de wind wil!’ Hij sluit zijn ogen en laat zich door elkaar rammelen door zijn beste vriend, zijn ware liefde, de wind.