Nieuw boek

Of ik al met een nieuw boek ben begonnen, vroeg iemand me onlangs. De vraag overviel me. Nee, natuurlijk niet, had ik geantwoord. Het feit dat ik er net een af heb betekent niet dat ik gelijk doorrol naar het volgende. Zo werkt dat niet bij mij.

Bij anderen wel, zei de ander. Ja, bij anderen wel, had ik geantwoord. Maar bij mij dus niet. Ik zit momenteel in de ontkennende fase, het liefst lazer ik het manuscript van dit boek in een lade van een bureau, of nog beter: ontken ik het bestaan ervan, maar dan nog ben ik niet leeg genoeg van binnen om aan een nieuw avontuur te beginnen.

Maar als je het bestaan van dat oude manuscript ontkent, zei de ander, dan ben je toch in feite leeg, klaar om je te richten op nieuw avontuur?

Nee, zei ik. Ik ben nog niet leeg, ik meen het. Ik droom nog van dit boek, de hoofdpersoon is nog niet weggesleten, er zijn nog open zenuwuiteinden, gedachten die eerst moeten vervliegen. Pas dan is er ruimte voor iets nieuws.

En wat doe je dan nu? Vroeg de ander. Nou, weinig, zei ik. Vandaag heb ik de mieren op de campingtafel geobserveerd, wat een boeiende beestjes zijn dat. Gisteren deed ik bijvoorbeeld helemaal niks.

Lijkt me vermoeiend, zei de ander. Echt, lijkt me doodvermoeiend om zo te zijn.

Ja, vertel mij wat, zei ik. Ik moet er dagelijks mee leven.

Vakantie

Die lange zomers uit mijn jeugd, waarin ik mij zo onwaarschijnlijk verveelde dat ik bang was om op te lossen, tussen de kieren van de bank door te glijden, uren aan dagen aan weken tergend langzaam op elkaar gestapeld, de ene stapel nog meer hetzelfde als de vorige. Langzaam met zes a’s, welteverstaan.

Er zit precies helemaal niets in mijn hoofd momenteel. Het ene moment is precies hetzelfde als het vorige en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hetzelfde als het volgende. Ik drink koffie. Ik kijk naar mensen. Ik lees een boek. Ik dommel weg, ik jaag een kind weg, of een kauwtje dat naast me landt en iets van me wil, vast iets te eten, de schooier. Ik heb mijn herinneringen. Mijn dromen. Mijn verlangens, maar het zijn dezelfde als gisteren. Als morgen. Ze lopen niet weg, ze blijven en blijven en blijven. Er verandert niks. Er is zoveel tijd.

Dit is zoals vroeger. Er is geen begin. Geen einde. Alleen maar nu, oneindig langzaam, uitgestrekt nu.

Yke

Het meisje vindt hem leuk. Ze heet Yke en is bijna negen, hij is net tien en zijn voornaam begint ook met een Y. Waar hij gaat, gaat zij ook, heel toevallig is zij bijna overal waar hij ook is.
Het laat hem niet helemaal onberoerd, de speciale aandacht van het blonde meisje met de blauwe ogen en een vader die van dit eiland komt.

Yke Yke Yke.

Zullen we kijken of we haar tent kunnen vinden, mama? Alleen durf ik niet. Of nou ja, nou ja, durven wel, maar ga voor de zekerheid met me mee. Kijk daar is hij, ik zie haar fiets. Haar frisbee. Maar waar is het meisje?

Yke Yke Yke.

Op weg naar onze eigen tent lopen we haar bijna omver. Ik zie hoe hij zich uitslooft voor haar, nog beter van de tongriem gesneden, een en al jongensachtige eloquentie. Pre-hormonen kaatsen als onzichtbare stuiterballen tussen het blonde meisje en de donkere jongen met de vuurrode wangen.

Twijfel

Sinds anderhalve week is het manuscript waar ik ruim een jaar aan heb gewerkt af. Ik ben het nu aan het doorpluizen, gênante taalfouten verwijder ik stilletjes, ik plaats wat komma’s hier en daar, ik sloop een enkele zin. Wat ik vooral doe is het helemaal lezen. Van voor naar achteren: de hele tekst. Voor het eerst.

Dat wekt een hoop emoties bij me op kan ik je vertellen en helaas niet allemaal plezierige. Zeker, het is wonderlijk om te zien wat mijn geest besloot te doen toen ik mezelf opdracht gaf tot het schrijven van mijn eerste roman, fictie dus – dat was mijn eis; geen waargebeurde verhalen, geen autobiografisch relaas. Ik wilde zien of ik instaat ben tot het schrijven van iets dat van a tot z verzonnen is. Ik blijk dat te kunnen, er ligt een tastbare stapel papier voor me met meer dan 90.000 woorden die ik erop heb getikt het afgelopen jaar. En ja, het heeft een kop en een staart, ik vermoed dat het leesbaar is en misschien zelfs wel meer dan dat. Er valt wat te lachen, wat te huilen, een hoop te verwonderen.

Ik weet alleen niet of hetgeen ik wil overbrengen ook echt zal overkomen op eventuele lezers. Dat zal dan vooral aan mij liggen, ben ik bang. Aan mijn schrijfstijl, aan de manier hoe ik schrijf, al zou het ook heel best voor een deel kunnen liggen aan de lezer, of hij bereid is moeite te doen.

Niet gelijk steigeren. Ik leg het uit.

Vorig jaar werd mijn aanvraag voor een beurs van het Letterenfonds afgewezen: niet literair zou ik zijn, ze hadden er geen fiducie in. En hoewel ik een hoop middelvingers richting de Nieuwe Prinsengracht heb opgestoken en ik vaak dacht: ‘well, that is just your opinion, man,’ moet ik eerlijk toegeven dat ik er blijkbaar ook een fikse knauw van heb gekregen. Zo ben ik, nadenken over alles. Waarom ben ik niet literair. Wat is literair. Wil ik het überhaupt zijn. En dan weer terug naar die opgestoken middelvingers naar de elite aan de grachtengordel, absoluut.

Ik ben dus niet literair, volgens het sanctum sanctorum van de Nederlandse Letteren. Maar wat ben ik dan wel? Ik begon aan een roman en ik voltooide hem. Literair of niet, dat bleek ik in elk gevan te kunnen, de ruwe versie ligt immers voor me. Er was een verhaal dat eruit moest, uit mij, en zo geschiedde. Er kwam een voor mij volkomen onverwacht einde; het verhaal leefde onder mijn vingers zijn eigen leven, ik kan je verzekeren dat dat een wonderlijk iets is. Ik keek naar de woorden die zich tot zinnen vormden op mijn scherm en snapte niet waar ze vandaan kwamen.

Het feit dat je schrijver bent maakt je echter niet automatisch literair. Dat wist ik al, maar door de afwijzing van dat Fonds weet ik het nog meer.

Ik heb het opgezocht, literair: het is als een soort Avalon, een in nevelen verborgen eiland dat alleen voor ingewijden toegankelijk is. Een onneembaar fort vol subjectieve criteria. Te denken valt aan: uitgediepte personages met emoties en complexe  beweegredenen in plaats van platte karakters. Diepere lagen, niet enkel dialoog en actie. Literatuur blijkt niet enkel ter ontspanning te zijn, las ik, het moet je aan het denken zetten. Literatuur is origineel, niet het naschilderen van een bestaand werk, het volgen van een bepaald stramien. Literaire schrijvers zouden zich niet voegen naar trends, grillen, maar hun eigen stem volgen, wars van keurslijven en wat anderen verwachten, willen, wensen en wat nu op dit moment in de mode is. Geen eenheidsworst.

Ik moet zeggen dat ik ietwat in de war ben. Want als je het verhaal dat nu voor me ligt langs bovengenoemde lat legt, zou je het heel best literair kunnen noemen. Maar dat klopt dus niet, heb ik mij laten vertellen door het Fonds. Wars van het hedendaagse telegramstijlfetisjisme, die jip en jannekestijl, de pretentieloze, uitgebeende en onderkoelde teksten die momenteel zo populair zijn, kom ik aanzetten met mijn dramatische taal, mijn uitweidingen en mijn herhalingen, die soms als bezweringen fungeren en soms zijn bedoeld om je iebelig te maken, over-alert, met mijn oeverloze monologen intérieur, met al die beschrijvingen van omgeving en natuur waar op het moment geen hond op lijkt te zitten wachten. Ik gebruik nog net niet drie uitroeptekens waar 1 volstaat, maar…. puntjes zijn mij niet vreemd… Een groot anachronisme ben ik, of in elk geval hetgeen ik schrijf lijkt dat te zijn.

Ik heb geen idee echter of lezers voorbij de herhalingen kunnen (en willen!) lezen, voorbij de verstilling, de momenten dat er niets gebeurt, zelfs voorbij hetgeen ik overduidelijk schrijf, want er valt meer te lezen dan er staat. Het zou me niet verbazen dat het boek ook alleen door vrouwen gelezen gaat worden omdat het hoofdpersonage een vrouw is en ook nog eens een totaal gestoorde vrouw. Zucht, hoor ik de kerels denken: weer een hysterische vrouw die grandioos van het pad is geraakt: boeien. Wat is er vernieuwend aan dit thema? Misschien toch niet zo literair, dan?

Zucht.

Ik kan van mezelf erg slecht zeggen of ik het goed vind wat ik schrijf, of juist slecht, of iets daartussenin. Dat ligt aan mijn eeuwige twijfel. Twijfel aan mijn eventuele talent, maar ik vermoed dat het ook iets van doen heeft met mijn onzekerheid of wat ik schrijf wel mensen bereikt. Ik kan zelf wel graag iets willen schrijven en het mooi vinden, maar of het anderen boeit? Of het iets toevoegt?Of het mij überhaupt boeit wat anderen ervan vinden, al mag je dat laatste natuurlijk niet hardop zeggen, want dat komt arrogant over en er zijn ook nog eens tientallen gaten in te schieten.

Ja, je zou kunnen zeggen dat ik een literairfixatie heb opgelopen en geloof me als ik zeg dat ik liever zonder had gezeten, want het leidt af van wat ik schrijf en wil schrijven, en met name van het vrijelijk schrijven (wat ik toch wel doe, maar dan nu met nog meer twijfel en onzekerheid).

Ik had wat meer als The Dude willen zijn. ‘Whatever, man.’

Je zou ook kunnen stellen dat ik in een spagaat zit: wat wil ik met mijn schrijven en wie wil ik bereiken? Wil ik stiekem toegankelijk schrijven omdat ik veel lezers wil bereiken? Toegankelijkheid in combinatie met herkenbaarheid en sensatie, daar bereik je de mensen tegenwoordig mee: een waargebeurd verhaal is mateloos populair. Of wil ik schrijven wat ik zelf wil, wat ik zelf belangrijk vind, ongeacht trends of die onstilbare behoefte van lezers naar sensatie en vermaak, opwindende kijkjes in de levens van anderen, met het risico dat zo’n boek maar 200 keer wordt verkocht, als er überhaupt al een uitgever is die er iets in ziet?

En dan de kers op de taart: voel ik me nog wel schrijver als ik altijd subrosa blijf schrijven, als bijna niemand mijn woorden leest? Mijn hemel, bén je wel schrijver als je nauwelijks wordt gelezen? Als je als smoezelige armetierige gribus tegen de klippen op blijft schrijver op je donkere zolderkamer?

Natuurlijk wel, natuurlijk wel, dat wordt  mijn nieuwe mantra, maar waarom dan die onvrede, die enorme onzekerheid? Misschien dan toch overstag gaan en commercieel gaan schrijven, letters voor de massa, waarom ook niet?

Ik heb dan even wilde plannen, zie het helemaal voor me, maar die plannen zijn de volgende dag alweer vervangen door een obscuur idee voor een volgend boek dat niemand zal lezen.
En toch en toch …Ach, welnee. Het antwoord is heel eenvoudig: nee, dat kan ik niet. Ik schrijf alleen over onderwerpen die mij interesseren en ik vermoed dat wat mij raakt en in beroering brengt niet bijster commercieel van aard is.

Ik moet er maar mee leren leven. En een andere vorm van brood op de plank zien te vinden. Zie het als open sollicitatie. Bij dezen, dus. Misschien toch maar iets met letters…

Perry

Er zit al 20 jaar een liedje in mijn kop waarvan ik alleen de titel weet en een paar zinnetjes tekst. Ik hoorde het voor het eerst op de werkkamer van een vriend, het zal 1998 zijn geweest en het internet was nog schattig met websites met gele letters op een witte achtergrond en fluorescerend knipperende balkjes waar je zeker niet op moest klikken want laden duurde 12 uur en dan had je nog niks. Het was de tijd van het inbellen met een 64kb modempje, of daaromtrent, en dat klonk alsof je veel te luid, supra Rosa, je agent in Rusland met adhdmorsecode inlichtte over de verwikkelingen buiten het moederland. Ik heb het altijd gênant gevonden, maar misschien is dat omdat ik daadwerkelijk een geheim agent van de FSB ben. Het was ook de tijd van ICQ, een plek op dat malle internet waar je soort van anoniem kon chatten met onbekenden, maar dat is weer een ander verhaal.

Ik hoorde het liedje dus op de werkkamer van die vriend, die het op Soulseek had gevonden, ingeklemd tussen een tiental liedjes van onbekende Nederlandse bandjes. Ik denk dat het een of andere sampler was, maar het is een eeuwigheid geleden en ik heb een vrij beroerd geheugen. Ik vond het prachtig, de tekst in klungelig middelbare school Engels en de gitaar soms te stevig aangezet bij de breekbare stukjes over een tragisch verlopen liefde, alsof de gitarist zich niet over de tekst had gebogen of misschien wel maling had aan het verzoek timide te spelen op de momenten dat de mislukte liefde wordt bezongen. Misschien was hij net bedrogen en haatte hij de liefde, dat kan natuurlijk ook.

Vanochtend werd ik wakker en hoorde ik het meisje weer de eerste zinnen zingen. Ik ging rechtop zitten omdat ik, niet anders dan de afgelopen 20 jaar, nu écht meende mij het liedje te herinneren. Op het moment dat ik rechtop zat en mijn mond opende om de woorden te zingen losten de interne noten op in het niets en bleef ik achter met slechts de titel, de begin zin en na heel lang nadenken een deel van de tweede zin.

Ik heb de twee zinnen die ik wel weet tientallen keren gegoogled en dat leverde niks op. Ik weet de bandnaam niet eens. Soms ben ik boos op Google, wat een prut zoekmachine is het toch, maar meestal draagt het niet-mijn-vinger-kunnen-leggen gevoel bij aan mijn toch al hoogontwikkelde melancholie. Alsof je je een liefde uit je vroege jeugd herinnert, de lichamelijke sensatie van het dicht bij elkaar staan, de geur van appelshampoo in zijn haar, de kleine sproetjes op zijn bovenlip, maar zijn naam, zijn naam ben je vergeten.

Ik ben bang dat het er niet beter op gaat worden, met mijn voeten al stevig in de derde helft. Mijn dans rond de jongen die Perry heet is al 20 lange jaren gaande. Nooit kom ik dichterbij. Als hij zou hebben bestaan zou hij een middelbaar jongetje zijn, misschien met een buikje, zeker met borsthaar en God beware me, met rughaar en een kalend hoofd, maar aangezien hij alleen in mijn dromen en binnenwereld leeft, blijft hij voor altijd jong en dromerig. Misschien dat ik hem ooit nog echt leer kennen, al zijn woorden, de naam van zijn bedenkers, zijn hele lied, maar veel hoop heb ik niet.

Dingen die mij ontregelen

Dingen waar ik ontregeld door ben op deze nog behoorlijk jonge woensdag 6 juni:

– Mijn bijna voltooide manuscript totaal naar de filistijnen na een zgn update van iOS. Kan niet meer ‘opslaan als…’, opmaak naar de klote enz. Dit was niet het plan, jongens.

– Word dat niet meer afsluit na deze update en computer die daarom schijnbaar niet meer uit kan. Computers horen af te sluiten na gedane arbeid.

– Snurkende mannen. Moe wordt een mens daarvan.

– Buren die klaarkomen (met openstaande ramen) terwijl ik mijn ochtendkoffie in rust dacht te drinken in de tuin. Andermans seks moet verboden worden, of op zn minst onhoorbaar zijn.

– Tandgruis op mijn tong bij het ontwaken.Tanden horen in je kaak vast te zitten, niet als poeder op je tong te liggen.

– De aanblik van het grafje van de vorige maand overleden kater Joris in de tuin als ik mijn ochtendkoffie drink terwijl ik schrik van een buurman met zaadlozing. Geen uitleg.

– Joris die vandaag vier zou worden maar dus in een grafje in de tuin ligt. Idem.

– Geen kat in huis. Ik mis zijn gesnurk. Als de kat snurkte was het wel lief.

– Blaren en alle ellende die daarbij hoort op mijn hielen. Vanavond op mijn luipaardslippers naar een feestje, paupers unite.

– Iemand missen (die er dus niet is). Dat is nog wel het meest ontregelend van alles.

Verder alles hunky-dory.

Probleemoplossend vermogen

Er was eens een vrouw die zelf vond dat ze vol goede, ja zelfs briljante, oplossingen voor allerhande problemen zat, maar op een dag moest concluderen dat het allemaal wat minder was dan ze had gedacht. Zo besloot zij in haar oneindige wijsheid de trosjes blaren die ze op beide hakken had opgelopen omdat ze heel eigenwijs op blaarsandalen wilde rondparaderen want je weet wel, in te tapen met sporttape omdat de pleisters op waren.

Lekker strak en dubbeldik, ze voelde bijna niet meer dat er blaren op haar hielen zaten! Ze was echt heel goed met dit soort dingen, vond ze zelf, porbleemoplossend vermogen: zij had het. Sneakers aan, weg met de blarensandalen die alleen maar voor de sier waren. Tot ze ’s avonds op de bank een aangespoelde zeekoe nadeed in afgeknipte joggingbroek en 25-jaar oud shirt (The Female Big Lebowski, zij is het!) en het witte tape zag zitten dat ze zo goed als vergeten was.

‘He hallo, tape! Wat doe jij daar? Oh God. Ja. Je bedekt blaren…’

Langzaam drong tot haar door wat er mogelijkerwijs op stapel stond. Even overwoog ze net te doen of het niet zo was, gewoon laten zitten tot het er vanzelf af valt of iets van die strekking, naast probleempplossend vermogen was net doen of het niet zo is een andere zeer goed ontwikkelde persoonlijke eigenschap van deze onfortuinlijke vrouw. Je hebt zelfreflectie of je hebt het niet, niet waar?

Maar goed. De tape. Voorzichtig begon zij eraan te pielen. Goed te doen, die randjes. Naarmate ze dichter bij het midden kwam werd het minder sababa. Sterker nog: ze wist dat de toenemende pijn een voorbode moest zijn van de absolute en complete hel die zich niet veel later zou openbaren.
Ja. Daar zaten de blaren, ze kon ze zien zitten, aan de verkeerde kant van de pijn.
Een was al opengescheurd door de allesvernietigende lijmkracht van die vermaledijde tape, al is een object de schuld geven van je eigen falen natuurlijk behoorlijk sneu.

Wat er toen volgde moet ik helaas censureren, maar ik kan u mededelen dat de vrouw voorlopig geen schoenen meer draagt, niet meer gaat hardlopen en zich omdraait in bed met zoveel moeite en invectieven dat het zelfs voor een totaalongevoelige onmogelijk zal zijn niet iets van medelijden te voelen.

Blaffen

Die keer dat wij de man die zijn hand niet netjes had uitgestoken toen hij op het laatste moment naar links zwabberde en ons zinloos had laten wachten omdat wij dachten dat hij rechtdoor zou rijden, tegelijkertijd en zonder een van te voren afgesproken plan als een hond uitblaften door onze opengedraaide ramen waardoor de warme meiwind blies en mij zoals elk jaar opnieuw het gelukzalige gevoel van krankzinnige dankbaarheid gaf, staat in mijn geheugen gegrift.

Daar was het begonnen. Daar was het allemaal begonnen.

Niet de zwabberende man doet ertoe. De zwabberende man was enkel ons eerste slachtoffer. Een uitstekend slachtoffer, dat wel, want de zwabberende man die zijn hand niet uitstak toen hij linksaf ging, schrok zo van de hondengeluiden uit de auto naast hem dat hij op een haar na de stoeprand miste en zichzelf en zijn fiets daarna in veiligheid probeerde te brengen (met als vermoedelijk doel niet als een parkinsonklant ter aarde storten) door met zijn beide benen zijwaarts van zijn zadel allerlei Jane Fonda-achtige moves te maken. Ik dacht dat er in de jaren 10 van de 21e eeuw niet meer aan fitness werd gedaan, maar ik ben duidelijk niet op de hoogte van de hedendaagse trends.

Deze meneer voerde ingewikkelde balanceeroefeningen uit, een intrigerend lijnenspel tussen het asfalt, de fiets, de beide benen van de man en zijn romp als middelpunt, zeg maar de verkeersregelaar tijdens de spits.

Met opengezakte monden keken we naar deze fraaie gratis voorstelling. Soms werpt het leven je veel moois in de schoot, dan moet je niet te weigerachtig zijn. Dan moet je geen gegeven paarden in bekken kijken en dat deden we dan ook niet. Ik ben voor vrije expressie in de openbare ruimte en genoot met volle teugen.

Na een paar seconden was het helaas voorbij, de benen vonden de trappers weer, de man zwabberde langs de Aldi richting binnenstad.

De man was ons zo goed bevallen dat later in reconstructie duidelijk werd dat hij het startschot moet zijn geweest voor onze blafposse. De narrige buurvrouw op links die buiten op haar stoepje zuur de straat zit te overzien krijgt een grauw, een voordringer met zweetplekken onder de oksels bij de supermarkt, een geliefde die niet je rug wil masseren als je het lief vraagt omdat hij liever wordfeud speelt, ook.

Wij maken de wereld niet mooier, hij en ik, we blaffen ons ongenoegen van ons af.

Ga nooit dichten

Doe niet aan dichten, doe het niet.

Dichten is voor jongens en meisjes met levensangst.

Dichten is voor mensen die taal niet op zinsniveau kunnen beleven.
Voor mensen die woorden kielhalen en vierendelen.

Die je willen laten geloven dat een woord oneindig rekbaar is.
Die denken dat het geheim van perfectie in een paar letters op een petrischaaltje besloten ligt.

Die een woord overrijden van tomaat tot sap en dan diepzinnig en opgewonden het resultaat aanschouwen.
Die zeggen dat de tomaat herrezen is, als een liquide feniks herboren, die zeggen dat de tomaat een lelijk ding is en dat het sap nog steeds een tomaat is.

Word geen dichter! Doe het niet.

Dichten is voor mensen die bang zijn om te leven.
Die circle jerkend elkaar de maat nemen over de essentie van een letter.

Close readen van gedichten is voor de mens die structureel tekortkomt. Die geen geld voor Netflix heeft, of voor een patatje oorlog bij de snackbar om de hoek.

Ik stel me de dichter voor op zijn zolderkamer. Zwoegend op twaalf woorden en waar hij de komma plaatsen moet. De dichter doet een nacht over die ene levensbepalende punt.

Wees geen dichter! Doe het niet.

Maar dan komt de bundel uit en slaapt de dichter dagen slecht: hoe wordt hij ontvangen? Hoe goed wordt hij verkocht?

Het verlossende woord komt maanden later: 31 verkochte exemplaren, de 19 door de dichter zelfgekochte bundeltjes met slappe kaft reeds meegerekend.

De dichter kruipt in bed die nacht en piekert zich een ongeluk: wie waren de 12 mensen die voor zijn eenzaamheid betaalden? Als hij in slaap valt weet hij het: het waren zijn mama en haar dichtersclub.

Ga nooit dichten! Doe het niet!

Joris

Kater Joris vond vorige week woensdag zijn dood op de Diamantlaan. Hij werd overreden door een Opel Astra, zo stel ik me voor, maar het kan ook zo’n lelijk koekblik zijn geweest waar vrouwen die de weekboodschappen halen in rondrijden. Joris de Kater, mijn mooie seminoorseboskat, werd minder dan vier jaren oud en ik kan bijna niet in woorden uitdrukken hoe verdrietig ik ben dat hij er niet meer is. De vrouw die haar voorwielen over zijn slaap reed belde de dierenambulance en met gezwinde spoed en loeiende sirenes, het mannetje was immers midden op de weg doodgereden, togen de vrijwillige dierenvrienden naar deze verkeersader achter mijn huis. Ik heb er niks van gemerkt. Toen hij stierf zat ik onderuitgezakt op bed als een wezenloze met mijn rechterduim op Facebook te scrollen.

Het telefoontje kwam om zes uur. Wij deden wat velen voor ons deden en velen na ons zullen doen: ‘Ja maar, hij was nog in leven toen hij om half zes zijn vadsige lichaam (nee NEE! Het was zijn wintervacht! Niet alles is wat het lijkt!) door het kattenluikje perste en muffig weghobbelde omdat het nog geen tijd was voor zijn verse visje.’ Ik antropomorfiseer het leven maar even naar me toe nu Joris de Kat er niet meer is om mijn observatietechnieken op te oefenen. Lopend naar daar waar hij lag, op een kleedje opgebaard en met kaarsjes in een hoekje. In jaren heb ik niet zo gehuild als die dag daar in het kantoortje van de dierenambulance met dat lelijke veel te lage systeemplafond en de dame die discreet de ruimte verliet om mij als een melodramatische donna te laten huilen. Bij vertrek moesten we 39 euro betalen. Sirenes en piepende banden kosten bijna 40 euro, natuurlijk snapten wij dat.

We vormden een zwijgende trein, mijn familie en ik en de dode Joris in zijn rieten mandje, terug naar waar hij minder dan een uur geleden met de chip in zijn nek voor de laatste keer zijn privéluikje had ontsloten. Terug naar huis en een laatste rustplaats onder de azaliastruik die momenteel zo obsceen roze bloeit dat ik er bijna niet naar kan kijken.

Joris, mijn mooie seminoorseboskat, met zijn glimmende vacht omdat we hem zalm voerden (alleen wilde zalm, kweek zalm is voor luizige soortgenoten), Joris die dacht dat mijn oorlel de tiet van zijn moeder was, Joris die nog geen vier jaar oud werd.

Ik mis hem, ons Joortje.