De pedofiel van Pieterburen

De man van Lenie ’t Hart (u weet wel, de vrouw die tientallen jaren baas was van Zeehondencrèche Pieterburen voor ze op een zijspoor werd gezet), zo stond een paar maanden geleden in de krant, heeft een duister verleden vol kindermisbruik. Hij is daarvoor in 1990 gestraft met zeven maanden voorwaardelijk, met andere woorden geen dag boeten tenzij hij weer iets onverkwikkelijks met minderjarigen uitvreet. Gek genoeg kwam dit alles toen nauwelijks in het nieuws en dat wat er in de krant stond was geanonimiseerd. Dat is fijn voor deze man, maar minder voor zijn slachtoffers. Pas een paar maanden geleden ‘outte’ een verslaggever van Privé hem alsnog. De voormalig kinderfilm- en tv-regisseur Karst van der Meulen kreeg de voorwaardelijke straf opgelegd op basis van de getuigenissen van drie dappere kinderen die niet zwegen. Hiermee zeg ik niet dat al die tientallen, wellicht honderden, kinderen die zwegen niet dapper zijn, maar een mens kan nou eenmaal alleen een straf krijgen als door hem misdeelde mensen naar de rechter stappen. Het is jammer dat er maar drie kinderen waren die het aandurfden te verklaren hoe de voormalig film- en tv-regisseur traumatiserende handelingen bij hen verrichtte tijdens en na producties als de Zevensprong, Kunst en Vliegwerk en Martijn de Magiër, want als alles aan het licht zou zijn gekomen wat het daglicht niet kan verdragen, dan zou deze meneer in 1990 niet met een waarschuwend opgestoken vinger weggewandeld zijn.

Op de set ging hij nooit over de schreef, tenzij je de natte zoenen die alle kinderen verplicht aan hem moesten geven bij aankomst op en vertrek van de set als ongewenst aanmerkt. Eenmaal van de set maakte hij wel veel werk van zijn slachtoffertjes, plande hij alles tot in de puntjes. Zo nam hij de jonge kinderen mee op tripjes in zijn camper, uitjes naar de dierentuin en organiseerde hij gezellige sleep-overs bij hem thuis. Aanraken hoorde daar volgens hem blijkbaar bij, maar ach, het waren de jaren 70 en 80, weet u nog wel, toen waren we over het algemeen wat milder over lichamelijkheden tussen volwassenen en kinderen. ‘Kinderen hebben ook behoefte aan aanraking, affectie’ en ‘kinderen hebben ook seksuele gevoelens’, ik herinner me deze uitspraken nog wel en ze zullen zeker waar zijn, maar dat is dan een ontdekkingstocht die kinderen samen dienen te ondernemen. Een volwassene die met zijn volwassen lust kinderen seksuele handelingen laat verrichten op hemzelf of andersom (want daar draaien de getuigenissen tegen Karst van der Meulen grotendeels om, seksuele bevrediging van onder andere tienjarige – en zelfs jongere- kinderen), gaat daarbij ernstig voorbij aan het ontwikkelingsproces van een kind, confronteert het daarnaast met zijn eigen monomane behoeftes en zorgt ervoor dat de veiligheid die hij het kind had moeten bieden als volwassene voor altijd is geschaad.

Je kunt het je bijna niet meer voorstellen, maar in de jaren 70 en 80, in die wilde nadagen van de seksuele revolutie die had gepleit voor jezelf mogen zijn, werd er anders gedacht over seksualiteit en had ook de pedofiel (soort van) een plek in de maatschappij, althans volgens een grote groep vrijzinnige lieden. Helaas gold dit ‘jezelf mogen zijn’ vooral voor egocentrische volwassenen die hun plek opeisten en hadden kinderen de pech dat hun belang niet werd meegewogen. In die nagalm van opengebroken heilige huisjes was de behoefte van de seksueel bevrijde volwassene belangrijker dan die van het misbruikte kind. Het wrange is natuurlijk dat de mores van die tijd dan misschien anders waren dan de huidige, het effect dat misbruik heeft op kinderen is in al die jaren hetzelfde gebleven.

Het verschil met nu zit hem misschien in het feit dat kinderen in die tijd minder snel aan de bel trokken omdat ‘aanrakingen’ door volwassenen minder in de taboesfeer zaten dan tegenwoordig. Ook lieten ouders hun kinderen makkelijker bij die leuke overbuurman spelen, hij was zo goed met hun zoon, vriendschap tussen een volwassen man en een kind, hoe mooi is dat? Ze lieten hun kroost met liefde een weekend op pad gaan met een Karst van der Meulen, die grote kindervriend en zo betrouwbaar, want regisseur van kinderseries waarin hun kinderen mee hadden gespeeld. Je zou kunnen stellen dat je 30 jaar geleden meer vertrouwen had in mensen. Ook liet je je kinderen meer vrij. Ikzelf was uren alleen op pad als tienjarige en mijn ouders hadden geen idee waar ik uithing, als ik om half zes maar thuis was voor het avondeten. Maar een pedofiel is van alle tijden en als hij slecht in de zin heeft dan grijpt hij heus zijn kans, zowel toen als nu. De impact die dat op een kind heeft was 30 jaar geleden net zo groot al nu.

Er gaan verhalen over de pedoseksueel Karst van der Meulen van ver voor zijn tijd als tv-regisseur. We hebben het dan over midden jaren zestig, toen hij net meerderjarig was. Er doen ook hardnekkige geruchten (lees: anonieme verklaringen) de ronde over de periode na 1990, toen hij die armzalige voorwaardelijke straf kreeg en dit anoniem in de krant kwam. Die geruchten gaan over seksueel misbruik op de zeehondencrèche, waar jonge kinderen dagen aaneen kwamen helpen met de verzorging van de robbenwezen en ’s avonds gezellig met z’n allen bleven slapen. Karst van der Meulen gaf de kinderen (met leeftijden tussen de 7 en 15 jaar) die bij hem overnachtten ‘seksles’, ze kregen vieze boekjes te lezen en hij bevredigde ze dan seksueel voor het slapen gaan. Het zijn verhalen uit anonieme bronnen, verhalen die volgens meneer van der Meulen niet waar zijn aangezien hij na 1990 is gestopt met zijn pedofiele behoeftes om te zetten in seksueel misbruik van kinderen. Hij was een veranderd man, zijn huwelijk met Lenie ’t Hart (rond dezelfde tijd als zijn veroordeling) en de therapie die hij had gevolgd hadden hem doen laten inzien dat het niet door de beugel kon, het aanraken van kinderen. Hij had oprechte spijt.

Wat is dat toch met deze lui? Ik had ooit een vriend die een carrierespoor van bewijzen had achtergelaten op het gebied van zijn seksverslaving. Saunamedewerker, masseur, fysiotherapeut, uitsmijter in een hoerenkast, zweminstructeur: met de terugkijkbril is alles zo duidelijk. Karst van der Meulen trouwde met een vrouw die naar eigen zeggen meer op heeft met dieren dan met mensen, dieren zijn tenminste eerlijk. Lenie wist van het seksuele misbruik door haar nieuwe man, maar verklaarde onlangs dat dit stopte na hun huwelijk. De anonieme bronnen beweren anders, het misbruik ging gewoon door onder haar neus, op de plek die zij voor haar geliefde dieren had gecreëerd en waar kinderen dolgraag kwamen. Het is psychologie van de koude grond als ik een verband vermoed tussen Lenie haar behoeften en die van Karst, maar de anonieme verhalen over seksueel misbruik, waar zelfs de dieren van de Zeehondencrèche bij zouden zijn ingezet, doen mij echter het ergste vrezen. Iets met eens een pedo altijd een pedo.

Nu is Lenie op een zijspoor gezet door het nieuwe bestuur van de opvang. Ze is er niet meer welkom. Geen dieren meer voor Lenie, geen kinderen meer voor Karst hoop ik dan heel hard. Ik vraag me af wat Karst nu doet. Ik hoop dat hij elke dag om vergiffenis smeekt. Het zou zo fijn zijn als mensen als hij echt het licht zagen en beseften dat kinderen ernstig beschadigd raken van grote mensen die met hun piemel (m/v) aan hen zitten. Ik vind het oprecht naar dat de pedofiel in een maatschappij leeft waar zijn geaardheid niet wordt geaccepteerd, je bent wie je bent niet waar, maar van kinderen blijf je af. Met terugwerkende kracht ook voor de jaren 70 en 80 en ver daarvoor. En zit je dan toch aan een kind, of je nou een priester, kardinaal, kinderactivist, zwemleraar, verzorger, regisseur, begeleider of man van een dierenweldoenster bent: vertel me dan niet dat je de grens niet weet tussen het houden van kinderen en het beschadigen van kinderen. Want die ken je. Geloof me, die ken je maar al te goed, want je bent een mens.

Een heel slecht mens, dat wel.

 

Nagalm

Soms ontmoet je iemand die op je lijkt. Iemand die dezelfde paden volgt in zijn hoofd. Iemand die naar je luistert en ondertussen ideeën krijgt door jouw woorden, je ziet het lampje aangaan, en daarnaast ook schaamteloos jouw gezicht bestudeert zodat je moet blozen. Je zou geïrriteerd kunnen zijn maar bent dat niet; herkenning heeft zo haar voordelen. Je weet dat de woorden die je sprak aankwamen, dat iemand kan luisteren en denken en schaamteloos staren, allemaal tegelijk, ook al schreeuw je altijd dat je maar een ding per keer kan. Dat klopt niet: je ziet het aan de herkenning die je voelt, zo gaat het ook bij jou.
Praten met zo’n mens is simpel en verfrissend, een vergelijking met de lenteregen dringt zich op. Praten met zo’n mens is misschien ook overbodig, wat dan weer verwarrend werkt: waarom zwijgen als je oog in oog staat met herkenning? Je zou dan kunnen zeggen dat woorden bedoeld zijn om te overtuigen, om een mening kracht bij te zetten. Júllie kunnen praten in stilte, via draadjes in jullie hoofden, dat zou moeten kunnen met zo’n spiegelpersoon. Of misschien valt er niks te zeggen als je zo eender denkt als jullie.
Nee, natuurlijk ben je niet stil. Je praat tot je schor bent en de ander praat mee. Jullie praten samen, alleen, soms als blauwe noten, soms als echo’s en altijd die nagalm die de verbinding versterkt.
Waarom zwijgen als je samen woorden hebt? Er moet gepraat worden, oneindig veel gepraat, zodat de nagalm van de woorden zich in de herinnering van jullie lichamen weet te nestelen. Pas dan zwijg je, zullen jullie zwijgen. Doen jullie het zwijgen ertoe.

Eenzaamheid

Zonder te veel in navelstaarderij te willen vervallen -wat een godsgeschenk is dat ouder worden, hoe ouder ik word hoe minder ik die deprimerende behoefte voel- wil ik toch in navelstaarderij vervallen en met jullie delen tot welke realisatie ik onlangs kwam.

Niet plots, het was een geleidelijk proces, ik voelde de tandwielen langzaam voortbewegen in mijn hoofd, van tand naar tand naar tand, maar ineens was daar het even simpele als wonderbaarlijke en logische eindpunt: het gevoel van eenzaamheid dat ik al mijn hele leven heb, zit in mij besloten. Het is van mij, het is niet de schuld van anderen en het is ook geen gebrek aan liefde, contact, uitdaging en intimiteit, want deze zijn allemaal in wisselende hoeveelheden in mijn leven aanwezig geweest. Ik word geliefd, er zijn mensen die om mij geven, die het fijn vinden in mijn buurt te zijn. Mijn existentiële eenzaamheid is er altijd, maar is dragelijker als ik mij openstel voor sommige anderen, iets dat niet zomaar gaat in mijn geval, maar ik leer nog steeds.

Eenzaamheid ligt op het nachtkastje op mij te wachten, als een oude vriendin waar je welkom bent met je rothumeur en boeren bij mag laten en de slappe lach mee kan hebben tot je ervan moet kotsen. Zij kent mij, en ik haar en ik geniet altijd van haar nabijheid, maar ik kende Eenzaamheid nooit goed genoeg omdat ik haar afhield, bang voor een bodemloze diepte, een zwart gat en dat ik dan niet meer mijn weg omhoog wist te vinden. Ik was bang dat het zwart me zou omvatten.

In mijn puberteit was de eenzaamheid sterk, maar ook erna voelde het of de dark side me voor zich wilde winnen. Ik weet nu dat het zinloos is me ertegen te verzetten, dat die eenzaamheid oké is en bij mij hoort.
Ik wilde er zo graag bij horen, mijn hele leven wilde ik bij mensen horen waar ik me niet op mijn gemak bij voelde en dat verergerde die eenzaamheid weer. Dan stond ik op een feestje en kon ik alleen maar denken dat ik weg wilde, onder de mensen was ik, maar zo eenzaam dat het pijn deed. Dan keek ik om me heen en dacht: jullie zijn mensen, waarom voel ik geen nabijheid? Dat sommige mensen je eenzaamheid kunnen vergroten ondervond ik aan den lijve, maar het bewustzijn was er nog niet.

Vroeger op school: huilen als ik niet werd uitgenodigd op feestjes, omdat ik blijkbaar niet de goede kleren droeg of werd uitgelachen om mijn veel te korte haar. Hoe harder ik leed onder de kloof tussen mij en de mensen waar ik geen verbinding mee kreeg, hoe eenzamer ik werd, maar ik wilde zo graag bij die mensen horen die mijn eenzaamheid versterkten. Een wijze vrouw zei ooit: I guess you go too far when pianos try to be guitars en gelukkig ben ik in het bezit van een sterk karakter en iets dat op zelfliefde lijkt en voelde ik zodoende nooit de behoefte te veranderen om erbij te horen. Het maakte me verdrietig dat ik aan de zijlijn stond, maar blijkbaar niet genoeg om mezelf te verloochenen.

Ik was wel ziende blind voor mensen die misschien veel beter bij mij pasten: de andere Eenzamen, niet die mensen die hun lege binnenkant met mensen, spullen of spiritualiteit proberen te vullen, maar juist degenen die van zichzelf weten dat die eenzaamheid een kleed is dat nou eenmaal bij hen hoort, en die soort van losstaat van liefde lust verliefdheid en intimiteit. Die mensen met ook een oude bekende op hun nachtkastje. Die anderen die ook met een mantel zijn geboren.

Wat een openbaring! En wat een luxe, wat een genot dat ik ontdekt heb dat ik een radar blijk te hebben, een geheim oog die de Eenzamen spot, die anderen met hun kleed geweven uit eenzaamheidsdraad. Ik voel mij niet meer alleen, we zijn samen een eenzaamheidstapijt, een patchworkkleed van prachtige randfiguren.

Voor een oude vriend

Hij zat bij mij op school en we werden vrienden. Hij ging wel eens mee na het laatste uur, ik woonde dichtbij en hij op anderhalf uur afstand. Hij was wat raar, eigenaardig. Hij was geïnteresseerd in heel andere zaken dan anderen van onze leeftijd, wat goed uitkwam want voor mij gold hetzelfde. We praatten over literatuur, filosofie, en meisjes. Hij wilde alles van mij weten, maar niet omdat hij mij begeerde. Hij was verliefd op andere meisjes en vroeg mij de oren van mijn hoofd om ze beter te begrijpen. ‘Ik begrijp meisjes niet,’ zei hij, ‘Ik begrijp alleen jou, wil jij me helpen de meisjes te begrijpen?’

Ik zie ons nog zitten aan onze keukentafel, onder de stinkende verschimmelde ham uit Spanje, met koppen thee brachten we uren door. Hij zei dat hij mij leuk vond omdat mijn voorhoofd en profiel recht was en dat het in een volmaakt rechte lijn liep met mijn bovenlip. Volgens hem was dat een teken van intelligentie.

We schreven elkaar ook brieven, echte brieven met de hand geschreven die we elkaar gaven op school of stiekem in elkaars jaszak stopten. Hij was lyrisch toen hij ontdekte dat ik ‘desalniettemin’ goed schreef en dat mijn woordenschat zo groot was. Maar verliefd was hij niet op mij, dat kon hij alleen zijn op populaire meisjes met mooie kleding en de haren van een Dolly Dot, meisjes die hij niet begreep. Mijn vriend had last van vreselijke depressies, nachtmerries verstoorden zijn nachtrust en leven was soms een veel te zware opgave voor hem. Mijn lieve rare vriend heeft niet lang geleefd, op een dag besloot hij dat het genoeg was en nam hij een extra stap op een perron ergens op een station van Nederland.

Die lijn die lijn die verdomd dunne lijn tussen genialiteit en gekte, die oneindig felle lamp boven in een vuurtoren in een volmaakt zwarte zee, dat was hij. Hij zond uit: kom hier kom bij me hou van mij, maar niemand kon dichtbij.

Brick wall, fuck it

Joris de semi-noorseboskat, vier jaar geleden bij ons gekomen vanuit het asiel nadat hij als zwerfkitten in Leek was aangetroffen en aan ons verkocht als zijnde Europese korthaar (wat overigens een flinke domper bleek toen hij zijn eerste winter inging met vijfduizend lagen haren en pels en de manen van een leeuw), die Joris houdt niet zo van vuurwerk.

Nou woon ik in een wijk die ik zou willen classificeren als Tokkiedorp, al heb ik begrepen dat de familie Tokkie het niet langer pikt en door middel van hardcore bewijs (een nieuwe reality serie waarin ze worden ontmaskerd als stiekeme hockey- en lacrosse liefhebbers die het NRC lezen en graag een Mattheüs Passionetje bezoeken! Een liedje opnemen ook al zingen ze als de opgewarmde dood! Schulden aflossen op nationale teevee via crowdfunding door zich op een stormbaan met veel groene zeep te werpen in bikini en string!1!) zich wil revancheren en haar door nicotine vergeelde blazoen wil zuiveren. Het begon al lekker met een close-up van papa Tokkie die stug doorrookte terwijl ie keelkanker heeft (kun je door een voicebox rook in- en uitademen?) en al zijn kinderen die vertellen over hun doodzieke papa met 249 sigaretten tegelijk aan.

Afijn, zo’n wijk is mijn safe space en in zo’n wijk wordt het vuurwerk al in november getest zodat je elk jaar weer hoopt op gewenning en ook dat 31 december in relatieve relaxtheid voorbij zal zoeven, maar je je desondanks toch elk jaar weer het bokkenschompes schrikt als het ‘echt losgaat’. Die twee maanden ervoor waren opwarmertjes, die carbidbussen in de voortuin slechts omina. Het is hier elk jaar een oorlogszone, compleet met M.E. en honden en gierende brandweerwagens en bomen en auto’s en boodschappenwagentjes die in de fik gaan. Dus wat te doen, poesgewijs?

Ik had dit stukje ook zo kunnen beginnen: mijn kat is bang voor vuurwerk en aangezien ik in een wijk woon waar men vuurwerk uitermate serieus neemt moest ik iets verzinnen. Niemand heeft mij ooit beticht van kortdradigheid.

Ik bestelde een natuurlijke kruidencombo bij een online venter met de naam Petduka.nl Dit was vlak voor kerst. Het pakje arriveerde in een gedeukte verpakking een week na oud en nieuw en bleek het verkeerde product te bevatten. Ik had een doosje gekregen met kalmerende pillen voor een hond, een vier keer hogere dosis dan voor Joris werd geadviseerd. Nu moet ik verklappen dat ik niet heel goed ben met dit soort situaties. Ik zou graag de kalmte zelve zijn, zo’n zalvend meegaand mens dat deint op de golven van wat er op haar afkomt. Helaas ben ik niet zo.
Ik ontvlamde ter plekke, een salvo gruwelijke invectieven er rap achteraan. Ik wilde die mensen daar in Weesp bij hun haren grijpen en in een kuil met modder duwen. Waterboarden. Ik hield het bij vloeken als een bootwerker en daarna hijgend op adem komen en proberen mijn wijsheid te hervinden.

Ik had de kalmerende ellende een week na dday ontvangen, dat waren strafpunten. Ik had daarnaast ook het verkeerde product ontvangen, genoeg om mijn kater op een bad trip naar pussy heaven te sturen. Dat was een container vol strafpunten en bijna zakte ik weer weg in de rode waas. Wie waren die amateurs da…rustig Prazdny. Zen, fucking zen. Ik stuurde een mail met de klacht, vijf dagen later kreeg ik reactie: wat naar voor u, nou ja, ja rond oud en nieuw is het altijd heeel druk bij ons. No shit, sherlock. Ik kon het terugsturen, moest het label dat mee werd gestuurd uitprinten en op de envelop plakken en dan kreeg ik het bedrag van aankoop terug. Nu heb ik geen printer dus het werd nog een hoofdbrekertje maar uiteindelijk kon ik dan de foute pillen in een envelop proppen en het label erop plakken. Ik had nog wel teruggemaild waarom de verzendkosten niet werden vergoed maar daar werd niet op gereageerd. Spul versturen, verzendbewijs mee, mail erheen dat het was opgestuurd.

Twee weken later geen geld teruggestort, weer mail. Ze hadden niks ontvangen. Had ik het wel verstuurd? Er zou alleen geld worden teruggestort als het pakket er was. Oke, nu had ik mails gestuurd, labels uitgeprint, de troep in gepakt, naar een winkel geweest om die rotzooi terug te sturen en bleef ik achter zonder geld omdat zij niks hadden ontvangen. Jongens, die zenstaat was een gepasseerd station, geloof me, ik was zo chagrijnig dat ik het liefst het potje pillen diagonaal anaal bij de eigenaar van Petduka had ingebracht, maar helaas zat ik zonder potje. Diepe zucht in door de neus en uit uit uit door de mond. Ik schreef een mail terug, dat ik een bevestiging had van het versturen en dat ik er zo stilletjes aan klaar mee was; er wordt een verkeerd product te laat geleverd. (Ssst! Alleen jullie weten dat het stilletjes-stadium allang voorbij was!) Dan doe je toch niet zo moeilijk en stort je het geld terug?

Ik heb tot op heden geen geld ontvangen en overweeg nu een dagretour Weesp aan te schaffen. Nog even goed oefenen op de boksbal van de jongste zoon en dan ben ik er helemaal klaar voor.

Bronja op het Boekenbal

Twee jaar geleden mocht ik voor het eerst en vermoedelijk ook voor het laatst naar het boekenbal. Ik werd niet door het CPNB uitgenodigd; er was een wat ingewikkelde constructie met kaartjes voor gearriveerde schrijvers die door de uitgeverij werden verzocht zonder date te komen en dat de minder gearriveerde schrijvers uit de stal dan ook een kans hadden dit spektakel mee te maken. Het is twee jaar geleden, ik heb inmiddels geen idee meer wiens nepdate ik was.

Ik had flink mijn best gedaan voor die toegang tot het Boekenbal, het ging in mijn geval zeker niet vanzelf. Praten als Brugman, geursporen achterlaten, talloze mails en appjes, zelfs chantage: ik heb een hoop karmapunten verloren in mijn boekenbalqueeste en zoals met veel zaken: ik ga door tot ik erbij neerval. En toen mocht ik. Shit: jurk, panty’s (Ik haat die dingen, God wat haat ik die synthetische shit aan mijn lijf! Maar ik kon moeilijk hartje winter halfbloot door de hoofdstad kruipen na afloop), oh shit en welke schoenen moet ik dan aan bij die nog niet geselecteerde jurk? Ik sloeg bijna op tilt van al deze levensvragen. Wat een drama. En waarom, waarvoor voor wie deed ik dit? Wie zou het ook maar ene reet kunnen schelen waarin ik op dat Bal verscheen? O Ja, je doet het voor jezelf. Right. In dat geval zou een spijkerbroek maat 29 volstaan, met een extrastrak shirt waar mijn enorme bos hout en zweetplekken goed in uit zouden komen, maar ik wist ook wel dat ik dat uiteindelijk toch niet zou doen.

Ik had nog een prachtige jurk die ik anderhalf jaar ervoor had gekocht voor de finale van een schrijfwedstrijd. Voor de zekerheid kocht ik online nog een reservejurk met panterprint, noem het een voorgevoel. In Amsterdam hielp mijn redacteur me bij het uitzoeken. Er bleek alleen weinig te kiezen, de mooie finalejurk ging met geen mogelijkheid dicht. Hoe hard ze ook trok, welk corrigerend ondergoed ik ook aantrok, die verdammte rotjurk bleef op mijn ribben hangen. Wel godverdomme! Hoe was dat mogelijk? Ik was niet aangekomen, voelde me prima, alleen had ik blijkbaar in iets meer dan een jaar een torso van een gorilla gekregen. De redacteur maakte het er bepaald niet beter op door te opperen dat het aan de overgang lag, zoiets was bij haar ook gebeurd, je zakte op een gegeven moment gewoon wat in, als het ware. Nu voelde ik me niet alleen enorm, maar ook nog eens oud.

Gefrustreerd ramde ik mezelf in het panterkleedje, dat gelukkig wel paste en best leuk stond. Ik kon in elk geval ademen en kon dat onvriendelijke, mensonterende corrigerende ondergoed ook uit laten. Wat een martelwerktuigen zijn die dingen, geen enkele vrije beweging is mogelijk en ze zijn alleen ontworpen om er patent en strak en slank uit te zien, niet om plezier in te maken, geef mij maar zwierende rokken en ieniemienie onderbroekjes. Die zijn pas vrij.

Van het boekenbal zelf heb ik weinig meegekregen, eigenlijk. Seksende mensen in de wc’s, check, soort van gezien, maar twee mensen die elkaar lekker vinden brengt mijn hoofd niet op hol. Georgina Verbaan met heel veel mannelijke aanbidders in een veel te klein kringetje om haar heen, ik wilde haar gaan redden tot ik mij realiseerde dat ze het misschien wel leuk vond, de schare fans. Verder allemaal gezichten die ik in de gauwigheid niet kon rijmen met namen, twee heel leuke schrijfsters die diep in de olie waren, compleet met dubbele tong en uitgelopen make-up, maar zeg nou zelf: daarvoor hoeft een mens niet naar het Boekenbal. Een wat oudere Limburgse schrijfster die audiëntie hield op de trap (de oudere meneer was al overleden) en veel mensen die volkomen ongegeneerd, en een enkeling met een fikse gêne en daardoor volledig ongeremd, al het decor van de muren, deuren en plafonds rukten. Dat was wel ietwat disturbing in het begin, moet ik toegeven.

Maar ik kende dus geen hond. Niemand. Ik was wel op sleeptouw genomen door een heel lieve collega, die ik daarvoor nog nooit had ontmoet, maar dat voelde ook alsof ik hem bezet hield, weg hield bij zijn vrienden. Dus ik dronk een gintonic of twee, drie, vier, ging nog een keer plassen in het herentoilet want voor die van de dames stonden 100 dames en zag daar per ongeluk de piemie van James Worthy. Hij plaste in het urinoir en (geen idee waarom!) draaide zich half om toen hij zijn piemie weer terugstopte. Dat was wel het hoogtepunt van mijn avond: de penis van James Worthy.
Met open mond rende ik door de gangen naar de garderobe en spoedde mij naar mijn logeeradres. Op de grachten had ik sjans met een groepje bezopen Italianen, de eerste flirt van de avond.

Al met al kan ik stellen dat ik niet ben gemaakt voor het Boekenbal. Ik ben ook nooit meer uitgenodigd, dus ik denk dat het gebrek aan liefde wederzijds is. We zijn geen match, zogezegd.

Geïnfecteerd/Geïnspireerd

Soms denk ik wel eens dat ik bezeten ben, geïnfecteerd misschien door een bacterie die mijn handen en ogen, het ding dat mijn lichaam is, gebruikt om te communiceren met de wereld buiten ons, buiten hemzelf en het lijf dat hij heeft geclaimd en dat toevalligerwijs mij toebehoort. Zelf is hij niet instaat tot enige vorm van contact, hij heeft geen vingers, tenen of desnoods een tong om mee te schrijven, zijn ogen zien alleen door de mijne maar zijn behoefte om een verhaal te vertellen is zo groot dat hij een beslissing nam die even moedig als gevaarlijk genoemd kan worden: hij nam bezit van mij.

Door hem zie ik verder en weidser, vallen mij details op die ik voorheen niet waarnam, kan ik schoonheid horen in lelijke of alledaagse gesprekken, liefde voelen voor een gebaar of aanraking die mij voorheen niet zou zijn opgevallen.
Het is een win-win situatie, zoveel weet ik wel, hij gebruikt mij en ik ben door hem een rijker mens geworden (nee niet financieel), maar er is vooral veel meer dat ik niet weet. Wie hij is, waar hij vandaan komt. Of zijn verblijf tijdelijk is of permanent. Ik ben zo op hem gaan vertrouwen dat een onverwacht vertrek mij van mijn stuk zou brengen, ik ben aan hem gehecht geraakt. Ik ben hem ‘Inspiratie’ gaan noemen, met een hoofdletter inderdaad, dat is het minste wat ik kan doen om hem mijn dankbaarheid te tonen.

Soms is hij een poosje stil en dan zie ik weer door mijn eigen ogen, ben ik die fletse persoon die ik was voor hij in mij(n leven) kwam, voel ik de dingen zonder randje en zijn de dialogen van de hondenbezitters in het park banaal en oninteressant, precies zoals ze waren toen ik nog alleen was.

Een of ander mens dat zijn beroep heeft gemaakt van andere mensen binnenstebuiten keren, dat wat niet per se benoemd hoeft te worden toch ad nauseam wil benoemen en dan doorduwen tot het voorbij het plezante is, zal nu wellicht opperen dat er een parasitaire relatie is ontstaan tussen ons, misschien dat ik verslaafd ben geraakt aan mijn bacterie, dat ik moet leren zonder hem te leven. Ik zou tegen zo’n charlataneuze koekenbakker willen zeggen dat hij of zij een jaloerse persoon is met zwarte gaten in zijn hart. Dat je pas weet waarover je spreekt als je zelf geïnfecteerd bent geraakt door Inspiratie.

Kamiel

Gisteren ontmoette ik een mens met de naam Kamiel.
Omdat ons afscheid soort van in nevelen is gehuld concentreer ik me op andere zaken. Zo had Kamiel 10 kilometer gelopen om mij te ontmoeten.
Waarom hij niet gewoon de metro of een tram had gepakt, desnoods een trein, Ik weet het niet, maar hij zag er snoezig en verfomfaaid uit toen ik hem voor het eerst zag.
Vlokken van het een of ander in zijn wenkbrauwen, iets anders ondefinieerbaars op zijn schouders en
vogelverschrikkerharen die eruitzagen of ze de bliksem hadden bevriend.

Hij at als een wolf en we dronken kabouterbier. Hij heeft een lenige geest en ondeugende ogen, hij lacht als een jongetje van 39.

Dronken in de trein naar huis een meisje dat een boze conducteur trof. Samenreiskorting was niet voor een persoon.
Een meisje naast ons stelde voor om samen te reizen en de conducteur vertelde haar dat er een boete stond op je diensten illegaal aanbieden, waarop ik tegen hem zei dat hij tegen haar sprak alsof ze een crackhoer was die een blowjob probeerde te ritselen waarop de conducteur in ons zijn meerdere zag en het hazenpad koos.

Er is dan misschien een genderkloof, een inkomensgat en ongelijkheid tussen de seksen, maar wij waren vrouwen die geen onzin accepteren.

Met een beginnende hoofdpijn keek ik in de ruit van de trein, naar mezelf en het zwart daar voorbij en dacht aan vriendschap met Kamiel en een conducteur die lik op stuk kreeg. Het was een goede dag.
.

Dankbaarheid

Mijn meestbeluisterde liedjes in shufffle mode in mijn oren, als een perpetuum mobile steeds maar weer hypnotiserend hetzelfde in wisselende volgorde, ik doe mijn ogen een paar keer dicht uit puur genot en merk hoe een glimlach zich op mijn lippen vormt. Ik zit in de trein, rij Lelystad binnen, Hallo Jumbo en zie dat de meneer met het bruine gezicht nog steeds ongehinderd en ongegeneerd naar me zit te staren. Zal ik naar hem knipogen? Zal ik mijn ogen tot spleetogen maken en mijn tong uitsteken of mijn middelvinger opsteken? Dat laatste niet, laat hem maar lekker staren. De Italianen in de vierzitter hebben niet door dat ze in een stiltecoupe zitten of misschien interesseert het ze maar matig. Mij interesseert het ook niets, Craig Cardiff zingt over Lenny Bruce en Lelystad ligt alweer achter mij.

Het zijn dit soort momenten dat ik me dankbaar voel, dankbaar om te leven, dat ik kan zien hoe iemand zijn boterham eet, hoe iemand al minuten naar me loert en hoe mijn tas alleen maar mooier wordt naarmate hij ouder wordt. Dankbaar dat ik horen kan, mijn veilige playlist die me elke keer weer geruststelt en opwekt, dat ik de Italianen kan afluisteren als ik dat zou willen, hoeveel zou ik nog verstaan na al die jaren? De Jeugd van Tegenwoordig vraagt waar de sletten zijn en ik kijk om me heen, wiebel wiebel met die tieten. Ik moet me inhouden niet te gehoorzamen. Dankbaar dat ik hier ben, besta, dankbaar dat ik liefde heb gehad en heb, dat er mensen zijn die om mij geven, dat er mensen zijn waar ik om geef, dat er mensen zijn die mij bovenmatig boeien.

Ik sluit mijn ogen weer, luister naar Zaz en zie door de kiertjes van mijn wimpers hoe ik het station van Almere binnenrol.

Daar is de lente

Drukke tijden voor sommige dieren en mensen als ik die observeren hoe die dieren zware tijden beleven.
Er stond een kater aan mijn voordeur gisterenavond laat. Zuchtend en miauwend, klagend en behoeftig. Vreemd geluid voor een kater, dacht ik nog. Ik deed de deur open en aaide hem, zijn schokkende achterkant negerend. Daar was onze huiskater die zijn kop vol manen om het hoekje van de woonkamer stak. Dit mannetje hebben ze drie jaar geleden een toontje lager laten zingen, en ze hebben dan misschien zijn zaakje afgehakt, ze hebben niet zijn nieuwsgierigheid meegenomen. Mijn man stak ook zijn kop om de hoek en barste in lachen uit. ‘Dat is geen kater, dat is een uiterst krolse dame.’ Joris de Noorse boskat-zonder-ballen stond erbij en keek ernaar, het wijfje bleef draaien en klagen en er gebeurde helemaal niks.

Diezelfde kater-zonder-ballen krijgt ook vandaag geen rust; hij ziet vogels druk vliegen en opgewondener dan anders naar eten zoeken. Opvallend vaak in onze tuin. Zo kom ik niet aan mijn schoonheidsslaapje van 18 uur, verdomme nog aan toe, ik hoor het hem denken, antropomorfiseer ik er lustig op los. Ik hou van observeren, maar soms ook van conclusies aan observaties verbinden en bij gebrek aan een en ander, waaronder stembanden in mijn kater, doe ik net of ik hem begrijp. De kat weet niet dat ik elke ochtend een handvol dure ongebrande ongezouten noten die tuin in lazer en dat ik hiermee hoop meesjes en merels te lokken, maar vooralsnog niet veel meer dan een setje opgefokte eksters heb gezien.

Onrustig loopt hij door de kamer, rent naar buiten waar de eksters hem uitlachen vanaf de dakpannen. Dan maar weer naar binnen, met zijn rug naar de tuin en zijn voorpoten over zijn oren. Kutvogels.