Golden Girl

Lang geleden, ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw, had ik een vriendin waar de slogan ‘Beetje vreemd maar wel lekker’ voor gemaakt leek. Het drankje waar die tekst op sloeg was natuurlijk Rivella, een misselijkmakend goudgeel drankje bij de eerste slok, agressieopwekkend vies feitelijk, maar als je dan door dronk bleek er een vreemdsoortig verlangen te groeien dat hele glas te legen. Ze hadden het beter contradictio in terminis kunnen noemen. Een beetje als Dr. Pepper, ook een zeldzaam smerig drankje, dat je desalniettemin maar door blijft drinken om erachter te komen waarom het zo vies is of, op z’n kop geredeneerd: waarom het lekker en vies tegelijkertijd kan zijn.

Deze vriendin was ook raar, maar aangezien ik ook niet helemaal normaal lijk te zijn was het een prima match. We deden niet voor elkaar onder, daarover zometeen meer, en deelden een paar jaar lief en leed, ook heel letterlijk, als in dat we naar het schijnt een aantal mannen hebben gedeeld, al wist ik dat toentertijd niet. Heel lekker vond ik haar niet, maar ze was in elk geval zo raar dat ik lang ben blijven plakken.

Op een dag, nog steeds ergens in de jaren 90, kreeg ik een pakketje. Nieuwsgierig maakte ik het open. Het bleken incontinentie-inlegkruisjes te zijn. Nou ben ik tegenwoordig misschien langzaam toe aan iets Tena-achtigs met de overgang die haar lokroep zo af en toe laat horen, heel verdrietig natuurlijk, dank voor uw medeleven, maar in de jaren 90 van de vorige eeuw was ik nog half nat achter de oren. Of wacht, beter iets anders formuleren, ach te lui voor, u begrijpt mij.

Ik trok mijn wenkbrauwen op en pijnigde mijn hersenen over het wie en waarom. Het leek mij stug dat de firma Tena mij uit zichzelf die rommel zou opsturen en het leek mij ook stug dat de firma Tena dan zou denken dat ik ineens incontinent zou worden bij het aanschouwen van dit ongevraagde non-cadeau. Het was een proefpakket, stond er. ‘Bedankt voor het aanvragen van dit proefpakket. U ontvangt hierbij Tenalady in drie formaten, light (voor die enkele druppel ongewenste urine), medium (voor als u bij het niezen niet helemaal droog de overkant haalt) en heavy (voor als u eigenlijk een luier nodig heeft maar nog in de ontkennende fase zit), zodat u op uw gemak de Tenalady kunt selecteren die voor u het geschiktst is.’

Iemand had dit aangevraagd, had zich waarschijnlijk bescheurd tijdens het invullen van mijn adres en misschien zelfs wel ondergepiest ook, en ik loog toen ik net zei dat ik mijn hersenen had gepijnigd want ik had een donkerbruin vermoeden wie het was. Ik zou dit varkentje wel eens wassen, dacht ik. Ik toog naar de tafel en bladerde door de krant op zoek naar geschikte proefpakketten. Mijn vriendin zou binnenkort verblijd worden met een miniatuur aambeienzalf.

De oorlog was aan. Als we bij elkaar waren repten we met geen woord over de koude oorlog, al lagen de hints her en der door onze huizen. Pakjes Knorr Wereldsmaken, tampons, drie weken Story, lidmaatschap van een of andere obscure kerk (inclusief bezoek aan de deur), meer incontinentieonzin, luiers, babydoekjes en billencreme, potjes olvarit, Telegraafproefabo, staaltjes hout en verf: er kwam maar geen einde aan dit bombardement. Ik denk dat we maanden verder pas over gingen op een wat rustiger regime, ongetwijfeld ingegeven door een gebrek aan opties. Zes proefabonnementen op de Telegraaf achterelkaar schijnt niet te mogen en ook niet te kunnen. Af en toe kwam er nog een pakje kauwgom of een zakje Whiskasbrokjes, maar grosso modo was dit vijvertje wel leeggevist.

Nog jaren later werd ik geteisterd door kilo’s reclamefolders en geadresseerde rommel op mijn deurmat en gebeld door een keur aan randdebielen die met mij tegen het vallen van de avond over hun producten en diensten wensten te spreken. Blijkbaar had ze ook mijn telefoonnummer doorgegeven. Goddank nam het af na 17 keer verhuizen. Ik kon eindelijk weer in de anonimiteit.

Tot ik begin deze maand werd benaderd door iemand die mij vertelde dat ik was genomineerd voor een award. Een FEMALE LEADERSHIP AWARD. De naam van de prijs had de mij onbekende dame verkeerd gespeld; ze had als onderwerp GolderGirlTrofee geschreven wat naar bleek de Golden Girl Trofee moest zijn. Alle alarmbellen gingen tegelijk af in mijn hoofd. Mijn Rivellavriendin, was ze weer actief? Had ze weer in haar broekje gepiest tijdens het schrijven van deze mail, of bestond deze award echt en had ze mij genomineerd omdat de naam van de trofee haar nou eenmaal aan mij had doen laten denken? Dit was de koude oorlog van twintig jaar terug, next level.
Ik was onder de indruk: echt een tandje erbij ten opzichte van een ongevraagde envelop met inlegkruisjes of aambeienzalf.

Ik las de mail en kon alleen maar concluderen dat iemand (ik noem geen namen), ergens, waar dan ook, zich ongans zat te verkneukelen om het idee dat Bronja straks misschien de trotse eigenaar zou zijn van een heuse Golden Girl Trofee. Bij gebrek aan de Tenalady Award was dit vast the next best thing.

Ik heb gelijk ingegrepen, dat lijkt me evident. Ik heb vriendelijk bedankt voor de nominatie maar gezegd dat ik er helaas ongeschikt voor was. Ten eerste ben ik geen boegbeeld van ‘FEMALE LEADERSHIP’ en ten tweede: Golden Girl my ass. Beter gelijk afkappen, voor ik, god verhoede, overal ineens voor genomineerd word.

Happinez

Ik kreeg het blad Happinez vorige week ongevraagd toegestuurd. Het was bij een bestelling van groene thee met earl greysmaak meegeleverd, dus ik moet toegeven dat ik het een klein beetje zelf had uitgelokt. Ik was niet blij dat de Happinez mijn huiskamer had weten te bereiken. Ik lees sowieso geen papieren tijdschriften, ik vind dat net zo zinloos als het eten van pennywafels, maar van alle tijdschriften wil ik de Happinez waarschijnlijk het minst graag in mijn privédomein. Wat een kutblad is dat, zeg.

Ik hou ook niet van bladen als woman’s health of Cosmopolitan of Linda of Wendy of hoe die vrouwenbladen die als wekelijkse of maandelijkse missie schijnen te hebben mij inadequaat, incompetent, vadsig en slonzig te laten voelen ook maar moge heten.

Tien tips om weer snel lekker in je vel te zitten. Bij de tweede tip (altijd eerst je rechterbeen afdrogen en onderaan beginnen!) voel ik me al schuldig omdat ik mij blijkbaar al mijn hele leven verkeerd heb afgedroogd en ben ik bang dat ik nu mijn lichaam zo verwaarloosd heb dat het nooit meer goed komt met mij en mijn bloedsomloop. Stop met koffie drinken want daar krijg je kanker van, of een of andere nare willekeurig in te vullen rotaandoening en probeer in plaats daarvan carob- of eikeltjeskoffie en je zult shinen als nooit te voor! Nou geloof me, ik heb in mijn jaren 70 jeugd het genoegen van de vermalen johannesbroodboompeul mogen smaken die zogenaamd een goede vervanger van cacaopoeder zou zijn en ook dat van de koffie gemaakt van eikels en ik kan je verzekeren dat het genoegen niet wederzijds was. Zelden zoiets smerigs als carob gegeten of gedronken (het moment dat je een hap van die ‘chocolade’ nam en erachter kwam dat het helemaal niet naar chocola smaakte en wel naar koeienvlaai, horen dat Sinterklaas niet bestond was minder erg, geloof me) om over mijn trauma door eikeltjeskoffie maar te zwijgen. Een prachtige poncho in mosterdgeel voor…475 euro? Serieus? Eerst mij lekker maken met onnodige kleding en dan doodleuk zo’n prijs erbij vermelden? Dat jullie redactrices elkaar de tent uitvechten voor freebies van trappelende bedrijven is prima (misschien kunnen ze beter ‘influencer’ op Instagram worden, dan weet je als argeloze lezer in elk geval zeker dat je naar reclame zit te kijken), maar iemand als ik mag al blij zijn dat de H&M in de uitverkoop een poncho in afzichtelijk geel verkoopt. Word bikiniproof in 30 dagen met deze eenvoudige oefeningen! Zat ik net lekker op de bank met twee repen cote d’or en moet ik nu opstaan van jullie om te scrubben scrubben scrubben op een dieet van wortels en groene smoothie zeker. En natuurlijk weer schuldig voelen, altijd maar weer dat verdomde schuldgevoel. Heb jij ook last van cellulitis? Doe dan zoals wij en word strak in no time! Weer iets met gratis producten voor redactrices die even zijn vergeten dat ze journalist zijn en geen advertorial zouden moeten schrijven. Emily ging naar Nepal voor de zen maar kwam terug met een Echte Man. Het geheime leven van Kim – overdag juf op een basisschool, s nachts dure escort! Mijn leven met boulimia! Jongens, al die Vriendin-verhalen, die hele trend van tranentrekkende human interest (hoe voelt dat nou? Geen feiten! Gevoel!) wordt nog eens onze ondergang. Die zucht naar horen over andermans leed, die intense behoefte te lezen dat een ander het nog slechter heeft, ga weg.

Ga weg. Ga gewoon weg.
Kijk, ik weet heus dat het ook aan mij ligt dat ik me ontoereikend voel na het doorbladeren van zo’n prul. Dat ik erom zou moeten lachen, heel hard en lang en dat ik medelijden zou moeten hebben met de dames die zo’n blad (waarschijnlijk met uitgestreken smoel, misschien wel hard lachend) vullen, ik weet dat allemaal heus wel. Ik heb zelf voor een mannenblad gewerkt waar ik de horoscopen verzon, dus ik zou moeten weten wat voor een onzin die papieren vodjes verkopen. (Ik maakte het op een gegeven moment zo gortig dat iemand anders de horoscopen weer overnam. De geïrriteerde eindredacteur zei dat iedereen wist dat de maandelijkse horoscopen onzin waren maar mijn freubelwerkjes waren zo overduidelijk fictie dat er klachten over waren gekomen op de redactie.) Maar nee: ik lig daar maar te atrofiëren op mijn verlepte krent en me steeds kleiner te voelen als ik zo’n blad lees, net of de onzin tegen mijn zin mijn poriën insijpelt, als een onverkwikkelijke horrorosmose. Hoe je slanker en succesvoller kunt zijn, welke spullen je allemaal moet hebben en kopen (in hun webwinkel!, ze hebben allemaal een webwinkel en minstens 4 pagina’s in de papieren editie met goederen die je status verhogen, je lichaam verbeteren, usw., allemaal gratis ter beschikking van de geheel onafhankelijke redactie gesteld die er vervolgens geheel onpartijdig een kritisch stukje over schrijft), dieettips, eindeloze oeverloze onzin en dat elke maand opnieuw.

Ik lees die bladen gewoon niet meer, ik ben niet bestand tegen zoveel perfectieterreur. Mijn leven is oneindig veel beter sinds ik die rommel niet meer lees.

En toen kwam de Happinez dus ongevraagd tot mij en moest ik concluderen dat dit blad nóg erger is dan alle roddelbladen én fitnessbladen én modebladen bij elkaar. Ik zei het al: wat een kutblad. De Happinez is een sneaky blad dat volgens de ondertitel een ‘positive, wise & loving life’ propageert (in het Engels, natuurlijk) en dat je waarschijnlijk met een grote mok dampende thee in beide knuisten tot je moet nemen voor een ‘momentje voor jezelf’. Ik kan het blad alleen tot me nemen met een dienblad vol sarcasme, ben ik bang. Het idee dat er vrouwen zijn die elke keer reikhalzend uitkijken naar dit momentje voor zichzelf stemt mij droef.

Toegegeven; er staan misschien een of twee redelijk interessante verhalen in het blad, maar dat komt dan vooral door de foto’s en het feit dat het een reisverslag betreft en geschreven is door een serieuze freelancer die hard moet werken voor zuurdesembrood op haar plank. Het gros van de pagina’s wordt echter gevuld met quasi-spirituele mumbo jumbo, van een stuk over ‘leven vanuit je intuïtie’ en hoe je kunt leren los te laten tot de geheime krachten van je bekkenbodem en een overbodige column van de Eindhovense Henk van Straten.

Ik voel mij tijdens het ‘lezen’ van de Happinez niet zo inadequaat, dik, slonzig en vies als tijdens het lezen van die andere bladen, dat is een voordeel in de categorie Johan Cruijff, maar als ik langs artikelen als ‘Runen leggen: antwoord op je vragen’ en weer tientallen pagina’s met shoptips (soul journals, toilettas tree of life, horloge let it grow, krachtkettingen en bergkristallen met zuiverende werking) blader, voel ik me toch een partij verdrietig en gedeprimeerd. Hebben wij dit nodig, mompel ik dan, hebben we echt zo’n blad nodig dat ons in plaats van lichaamsplained nu mindsplained. Dat ons in soundbites en loze kreten zogenaamde spirituele voeding voert, arme schrale hongerige zwevende zingevingszoekertjes die wij zijn, hunkerende lege dolende oude meisjes die hopen dat een zon en maan-ketting van de Happinez of een brok celestien à 35,= die de negatieve energie van anderen neutraliseert, ons vervult en opvult en richting in ons leven geeft. Na het lezen van de Happinez kunnen wij er weer anderhalve maand tegenaan, lijkt de boodschap. Zonder de Happinez is deze planeet onbarmhartig en kil.

Je zou bijna willen dat onzelieveheer weer bestond. Toen onzelieveheer nog bestond hadden we al deze onzin namelijk niet nodig. Toen maakte je maar zin, ook al leek alles zinloos en had je nul zin.

Licht

Ik was bang dat het nooit meer licht zou worden. Dat de dagen op nachten zouden blijven lijken en dat de chaos in mijn hoofd nooit meer zou verdwijnen. Het was beangstigend maar ik wist ook dat door net te doen of het niet zo was het niet vanzelf zou verdwijnen dus ik liet het maar gebeuren, min of min.
Door alle donkerte heen probeerde ik af en toe van boven te kijken alsof ik in een helikopter hing, stationair draaiende motor hoog genoeg boven mijn somberte om alle randen mee te nemen in een screenshot. Dat gaf rust, dat ik dat nog kon. Een momentopname maken. Als ik echt gek was geweest had ik dat niet gekund, zei ik dan tegen mezelf.

Ondertussen zat ik hele dagen op bed en deed niks anders dan slapen, lezen, door berichten van mensen die wel buiten kwamen scrollen en bieden op virtuele veilingen op mijn telefoon. Maar ik was nog niet van de aarde gegleden – ik had immers mijn helikopter nog.

Oh, wat verlangde ik naar warmte op mijn huid. Zon tussen mijn wimpers. Liefde op mijn kussen. Maar er kwam niks en ik wist dat er niks anders op zat dan het uitzitten en het ondergaan.

Op een dag werd ik wakker en zag dat er twee witte strepen door mijn verduisteringsgordijnen waren gebroken. Ik mocht van mezelf niet te veel lezen in de verschijning van het licht in mijn kamer. Zo had ik de gordijnen misschien niet goed gesloten toen ik de avond ervoor naar bed was gegaan. Toch voelde ik hoe mijn lichaam reageerde op de molenwieken; een glimlach, een sneller kloppend hart, een jubel die niet te stuiten was.

Er was weer licht. Er was weer licht en ik kon het zien.

Schrijven en kinderen

Of schrijven en kinderen hebben (en dus ook opvoeden, hè, niet even maken en dan lafjes via de zijdeur de kuierlatten nemen omdat je een schrijver bent en die heeft aanbidding en rust nodig en iemand die zijn zakdoeken vouwt) samengaan?

Ik vind onderstaand stuk slecht en gemakzuchtig, zeg maar van het niveau blog waarvoor werd betaald, maar dat zal wel door het slaapgebrek en de afgekolfde, in zijn ogen gespatte melk komen. Maar even los van wat ik van de kwaliteit vind, moet ik zeggen dat de combinatie schrijven-kinderen voor mij soms ook ingewikkeld is, iets waar ook ik met enige (grote) regelmaat tegenaan loop.

Zit ik helemaal in een scène, met stinkende oksels en oegaboegahaar en veel te veel koffie in mijn maag als een manische idioot te typen, zegt mijn telefoon dat ik mijn kinderen moet ophalen van school.

Hoe vaak ik niet met die oksels en dat haar op de fiets richting binnenstad heb gezeten en dan op veilige afstand van de andere ouders op het plein verder ging met schrijven in mijn hoofd. En dat soms iemand het aandurfde deze vrouwelijke unabomber te benaderen en dat ik dan heel rare dingen zei of alleen maar met opengesperde ogen de persoon die mij had benaderd aankeek. Of een sprongetje van schrik maakte; waargebeurd.

Ik ben altijd blij dat ik een kwartier moet fietsen, hoop dan dat het genoeg is om de knop om te zetten, maar dat lukt dus niet altijd.

Of dat schrijven en kolven, nog veel langer geleden. En dan die flesjes naar de crèche brengen en gauw weer een uurtje schrijven. Of tijdens de middagslaapjes, alhoewel ik zelf stiekem ook vaak in slaap viel, soms met een baby nog naast me en een tiet uit de borstvoedingsbh. Zo moe was ik vaak in die tijd.

Ik heb kinderloze vrienden die ook schrijven en een enkele keer word ik bevangen door jaloezie. Zo leven, elke dag in je opgewassen lijf achter je laptop, soms dagen aaneen zonder met iemand te praten. Geen eten hoeven koken, gewoon een broodje bapao in de magnetron en een zak wokkels binnen handbereik. Wat lijkt me dat een walhalla.

Ja. Kinderen en schrijven zijn niet (altijd) makkelijk te combineren. Maar ik ben zowel schrijver als moeder en niet van zins met een van beide te stoppen dus ik doe het er maar mee.

https://www.volkskrant.nl/de-gids/kunst-en-kinderen

 

 

Wassend water

Met mijn ogen dicht zit ik op bed en laat mijn gedachten de vrije loop. Soms kom ik zo tot scherpe observaties, stevige woorden, strakke lijnen. Vandaag komt er niks dan een springvloed aan nostalgie en weemoed.

Ik zit hier en er valt niet tegenaan te hozen. Het zilte opgepimpte verleden, een wat-had-kunnen-zijn gevoel, alsook een onbestemde melancholie zonder wortels in de grond spoelen genadeloos over me heen.

Kom maar. Kom maar. Laat maar komen dan.

Als eerste denk ik aan mijn vader. Altijd weer die dode vader die zoveel van mijn leven heeft gemist – bijna net zoveel als ik hem mis. Vroeger rook ik zijn geur, zelfs met ogen open, bijvoorbeeld als ik bij een rood licht wachtte was hij daar ineens. Dan keek ik naar links, rechts, overal om te zien of mijn vader misschien onverhoopt had besloten terug te komen.

Tegenwoordig moet ik met een omweg mijn vader levend toveren, of nou ja, in elk geval dichterbij halen. Na dertig jaar ben ik de hoop op terugkeer een beetje verloren.

Dan denk ik aan boekwinkels en zie ik mezelf met een duim razendsnel langs de pagina’s glijden, de geur van boek opsnuiven. Daar woont mijn vader, in die geur.

Ik heb het ook bij de geur van zweet, specifieker: bepaald mannelijk zweet. Als ik dat ruik komen er soms zo maar tranen in mijn ogen. Tranen van gemis. Verdriet. Liefde.

Dus nu denk ik aan de geur van boekwinkels om mijn vader bij me te houden. Nu ben ik een boekfluisteraar geworden omdat de wind in de pagina’s me aan hem doet denken. Nu ben ik een morsig vrouwtje geworden dat heimelijk de oksels van mannen nadert.

Ik knijp mijn ogen wat stijver dicht en hoop dat het nog heel lang wassend water blijft.

Twee honden in de vloedlijn

Wat is dan geluk, vroeg je. We liepen over het strand, de dag omarmde de nacht en twee honden speelden in de vloedlijn.

Ik denk dat dit geluk is, zei ik.

Maar we lopen enkel naast elkaar op een bijna verlaten strand terwijl de zon ondergaat, antwoordde jij en je schudde je hoofd.
Dit kon overduidelijk geen geluk zijn.

Laat ik het verduidelijken, zei ik.

Voor mij is dit geluk. Ik loop met jou, mijn vuur, mijn water, over een bijna verlaten strand en hoor de golven breken en de meeuwen krijsen. Twee honden spelen in de vloedlijn.

Jij bent mijn geluk, voegde ik er aan toe en kneep zachtjes in je hand.

Je draaide je hoofd naar me toe en keek verbaasd. Is het dan zo simpel, vroeg je retorisch. Is geluk zo simpel als wandelen op een strand met twee honden in de vloedlijn en liefde aan de hand?

Biologisch afbreekbaar

Op het gebouw zat een bordje met een pijl en het woord ‘asurnen’. Het kostte me even voor ik het woord in de juiste klemtonen kreeg. De kamer waar wij in werden geparkeerd was net zo onpersoonlijk als de hal van het uitvaartcentrum. Stemmig en minder-stemmig grijs, een hele waaier aan grijstinten, met hier en daar wat wit om lucht te blazen in het deprimerende geheel. In de hal had ik ook een grijs boeddhabeeld zien staan, maar in deze kamer kon ik er geen ontwaren. Wel een vitrinekast met een assortiment grote en minder grote vlinders in paartjes, niet in het grijs. Het waren ook geen echte vlinders, gelukkig. Het idee van opgeprikte vlinders in een crematorium is een beetje morbide, niet waar.

Er was een bak met vuistdikke ovaalvormige stenen in verschillende kleuren. Volgens het bordje dat er naast stond waren die te koop. Ik rolde een paar keer met mijn ogen.

In het midden van de ruimte een grote tafel met koffie, maar daar mochten we niet aankomen. Niet dat ik überhaupt op crematoriumkoffie stond te wachten, maar er was dus koffie.

Ik keek naar de anderen. Ik was de enige op Birkenstocks met pantermotief. Ik was zo te zien ook de enige die al meer dan anderhalf jaar niet naar de kapper was geweest. De anderen praatten wat met elkaar of stonden maar een beetje te staan, zoals ik, in afwachting van wat er zou gaan komen.

Daar kwamen twee uitvaartmevrouwen in stemmig ton-sur-ton grijs. Ze droegen drie grote bollen, in kleur verschillend. Mijn eerste gedachte was dat het bowlingballen waren, maar wat die hier deden was mij een raadsel. Het bleken biologisch afbreekbare urnen, met de as van mijn schoonmoeder, schoonopa en schoonoma. Toen ik er een aanraakte, voelde het materiaal als papier-maché onder mijn vingers, ik stelde me voor hoe hij zou vergaan in de grond en de as van mijn aangetrouwde familie (in dit geval oma) in dit Baarnse bos zou verdwijnen.

Het duo Stemmig Grijs had uitleg over wat ging gebeuren. We zouden het bos inlopen en de ufo-bollen begraven onder een of andere boom, te midden van een overdaad aan Lelietjes van Dalen. Er waren bloemen en steentjes om de grafjes mee te bedekken (‘grafjes’ was het woord dat een van Stemmig Grijs gebruikte, ik zou zelf een ander woord hebben gekozen).

De dame die op dat moment aan het woord was nam een teug lucht om haar verhaal te beëindigen, maar werd onderbroken door een van de aanwezigen, ik noem geen namen, die haar vroeg of het ook mogelijk was om een blanco aanvraagformulier van het crematorium te bekomen. Waar hij dat voor nodig had, vroeg de mevrouw. Dat dat er niet toe deed, zei hij. Hij wilde het graag hebben. De dame zei dat deze formulieren doorgaans alleen werden verstrekt aan mensen die een dood iemand wilden laten cremeren. Er volgde een korte discussie maar mijn aandacht verslapte.

Ik had het gevoel in een filmscene te zitten, of in Bananasplit. Ralph Inbar zou elk moment als een deus ex machina de deur open beuken, zijn borstelige snor voor hem uitgesneld en wij zouden dan opgelucht ademhalen en verzuchten dat het goddank allemaal maar een boze droom was geweest.

Bij het naar buiten lopen dacht ik aan mijn opgebaarde opa en hoe ik nooit meer een opgebaard iemand wilde zien. Doe mij ook maar zo’n plek in het bos in een bolletje oude krant en een netwerk eekhoorntjesbroden boven mij.

Eenmaal op de plek zag ik drie beschaafde gaten in de aarde, alsof een buitenmaats konijn los was gegaan. Naast de gaten lagen drie blauwe bollen. Nog meer dan de biologisch afbreekbare bollen leken deze van buitenaardse komaf. Als bakens, vuurtorens voor de marsmannetjes. Het bleken geolocatiebollen. Zo konden we altijd weten waar schoonmoeder en haar ouders waren, ook al waren ze al opgegaan in hun omgeving.

De bollen gingen ter aarde. Iemand bleef in een braamstruik haken, mijn nagels gingen kapot door de stugge grond waar ik handenvol van op schoonmama’s graf schepte. Mijn panter Birkenstocks zagen eruit alsof er een modderlawine overheen was gegaan, mijn voeten of ik twaalf jaar barrevoets door Afrika had getrokken.

Zonder dat de mevrouwen Stemmig Grijs het zagen groeven een aanwezige en ik drie Lelietjes van Dalen uit om bij de schoonvader in de tuin te zetten. Al mijn nagels op een na waren inmiddels afgebroken, maar een kniesoor die daarop let als je je schoonmoeder aan het begraven bent.

Op de Hilversumse heide zaten we na. Er werden sandwiches en veel wespen geserveerd. Twee mensen bestelden een Larens Blondje. Een van de blondjes verdween niet in het keelgat van de besteller maar kwam vroegtijdig aan haar einde over het hoofd, schouder en voorgevel van een tante. Sorry, sorry mompelde de serveerster, ik struikelde over een takje. Tante stonk van top tot teen naar bier, ik vermoed dat ik zo ook heb geroken in langvervlogen tijden toen ik de plaatselijke Benzinebar frequenteerde en om zes uur in de ochtend hevig knipperend het ochtendgloren instapte alsof ik te lang in het nachtdierenverblijf van de locale dierentuin had doorgebracht.

Vele grappen volgden. Besloten werd dat tante maar niet zou terugrijden want dit viel niet uit te leggen aan oom agent.

Nieuw boek

Of ik al met een nieuw boek ben begonnen, vroeg iemand me onlangs. De vraag overviel me. Nee, natuurlijk niet, had ik geantwoord. Het feit dat ik er net een af heb betekent niet dat ik gelijk doorrol naar het volgende. Zo werkt dat niet bij mij.

Bij anderen wel, zei de ander. Ja, bij anderen wel, had ik geantwoord. Maar bij mij dus niet. Ik zit momenteel in de ontkennende fase, het liefst lazer ik het manuscript van dit boek in een lade van een bureau, of nog beter: ontken ik het bestaan ervan, maar dan nog ben ik niet leeg genoeg van binnen om aan een nieuw avontuur te beginnen.

Maar als je het bestaan van dat oude manuscript ontkent, zei de ander, dan ben je toch in feite leeg, klaar om je te richten op nieuw avontuur?

Nee, zei ik. Ik ben nog niet leeg, ik meen het. Ik droom nog van dit boek, de hoofdpersoon is nog niet weggesleten, er zijn nog open zenuwuiteinden, gedachten die eerst moeten vervliegen. Pas dan is er ruimte voor iets nieuws.

En wat doe je dan nu? Vroeg de ander. Nou, weinig, zei ik. Vandaag heb ik de mieren op de campingtafel geobserveerd, wat een boeiende beestjes zijn dat. Gisteren deed ik bijvoorbeeld helemaal niks.

Lijkt me vermoeiend, zei de ander. Echt, lijkt me doodvermoeiend om zo te zijn.

Ja, vertel mij wat, zei ik. Ik moet er dagelijks mee leven.

Vakantie

Die lange zomers uit mijn jeugd, waarin ik mij zo onwaarschijnlijk verveelde dat ik bang was om op te lossen, tussen de kieren van de bank door te glijden, uren aan dagen aan weken tergend langzaam op elkaar gestapeld, de ene stapel nog meer hetzelfde als de vorige. Langzaam met zes a’s, welteverstaan.

Er zit precies helemaal niets in mijn hoofd momenteel. Het ene moment is precies hetzelfde als het vorige en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hetzelfde als het volgende. Ik drink koffie. Ik kijk naar mensen. Ik lees een boek. Ik dommel weg, ik jaag een kind weg, of een kauwtje dat naast me landt en iets van me wil, vast iets te eten, de schooier. Ik heb mijn herinneringen. Mijn dromen. Mijn verlangens, maar het zijn dezelfde als gisteren. Als morgen. Ze lopen niet weg, ze blijven en blijven en blijven. Er verandert niks. Er is zoveel tijd.

Dit is zoals vroeger. Er is geen begin. Geen einde. Alleen maar nu, oneindig langzaam, uitgestrekt nu.

Yke

Het meisje vindt hem leuk. Ze heet Yke en is bijna negen, hij is net tien en zijn voornaam begint ook met een Y. Waar hij gaat, gaat zij ook, heel toevallig is zij bijna overal waar hij ook is.
Het laat hem niet helemaal onberoerd, de speciale aandacht van het blonde meisje met de blauwe ogen en een vader die van dit eiland komt.

Yke Yke Yke.

Zullen we kijken of we haar tent kunnen vinden, mama? Alleen durf ik niet. Of nou ja, nou ja, durven wel, maar ga voor de zekerheid met me mee. Kijk daar is hij, ik zie haar fiets. Haar frisbee. Maar waar is het meisje?

Yke Yke Yke.

Op weg naar onze eigen tent lopen we haar bijna omver. Ik zie hoe hij zich uitslooft voor haar, nog beter van de tongriem gesneden, een en al jongensachtige eloquentie. Pre-hormonen kaatsen als onzichtbare stuiterballen tussen het blonde meisje en de donkere jongen met de vuurrode wangen.