Licht

Ik was bang dat het nooit meer licht zou worden. Dat de dagen op nachten zouden blijven lijken en dat de chaos in mijn hoofd nooit meer zou verdwijnen. Het was beangstigend maar ik wist ook dat door net te doen of het niet zo was het niet vanzelf zou verdwijnen dus ik liet het maar gebeuren, min of min.
Door alle donkerte heen probeerde ik af en toe van boven te kijken alsof ik in een helikopter hing, stationair draaiende motor hoog genoeg boven mijn somberte om alle randen mee te nemen in een screenshot. Dat gaf rust, dat ik dat nog kon. Een momentopname maken. Als ik echt gek was geweest had ik dat niet gekund, zei ik dan tegen mezelf.

Ondertussen zat ik hele dagen op bed en deed niks anders dan slapen, lezen, door berichten van mensen die wel buiten kwamen scrollen en bieden op virtuele veilingen op mijn telefoon. Maar ik was nog niet van de aarde gegleden – ik had immers mijn helikopter nog.

Oh, wat verlangde ik naar warmte op mijn huid. Zon tussen mijn wimpers. Liefde op mijn kussen. Maar er kwam niks en ik wist dat er niks anders op zat dan het uitzitten en het ondergaan.

Op een dag werd ik wakker en zag dat er twee witte strepen door mijn verduisteringsgordijnen waren gebroken. Ik mocht van mezelf niet te veel lezen in de verschijning van het licht in mijn kamer. Zo had ik de gordijnen misschien niet goed gesloten toen ik de avond ervoor naar bed was gegaan. Toch voelde ik hoe mijn lichaam reageerde op de molenwieken; een glimlach, een sneller kloppend hart, een jubel die niet te stuiten was.

Er was weer licht. Er was weer licht en ik kon het zien.

Schrijven en kinderen

Of schrijven en kinderen hebben (en dus ook opvoeden, hè, niet even maken en dan lafjes via de zijdeur de kuierlatten nemen omdat je een schrijver bent en die heeft aanbidding en rust nodig en iemand die zijn zakdoeken vouwt) samengaan?

Ik vind onderstaand stuk slecht en gemakzuchtig, zeg maar van het niveau blog waarvoor werd betaald, maar dat zal wel door het slaapgebrek en de afgekolfde, in zijn ogen gespatte melk komen. Maar even los van wat ik van de kwaliteit vind, moet ik zeggen dat de combinatie schrijven-kinderen voor mij soms ook ingewikkeld is, iets waar ook ik met enige (grote) regelmaat tegenaan loop.

Zit ik helemaal in een scène, met stinkende oksels en oegaboegahaar en veel te veel koffie in mijn maag als een manische idioot te typen, zegt mijn telefoon dat ik mijn kinderen moet ophalen van school.

Hoe vaak ik niet met die oksels en dat haar op de fiets richting binnenstad heb gezeten en dan op veilige afstand van de andere ouders op het plein verder ging met schrijven in mijn hoofd. En dat soms iemand het aandurfde deze vrouwelijke unabomber te benaderen en dat ik dan heel rare dingen zei of alleen maar met opengesperde ogen de persoon die mij had benaderd aankeek. Of een sprongetje van schrik maakte; waargebeurd.

Ik ben altijd blij dat ik een kwartier moet fietsen, hoop dan dat het genoeg is om de knop om te zetten, maar dat lukt dus niet altijd.

Of dat schrijven en kolven, nog veel langer geleden. En dan die flesjes naar de crèche brengen en gauw weer een uurtje schrijven. Of tijdens de middagslaapjes, alhoewel ik zelf stiekem ook vaak in slaap viel, soms met een baby nog naast me en een tiet uit de borstvoedingsbh. Zo moe was ik vaak in die tijd.

Ik heb kinderloze vrienden die ook schrijven en een enkele keer word ik bevangen door jaloezie. Zo leven, elke dag in je opgewassen lijf achter je laptop, soms dagen aaneen zonder met iemand te praten. Geen eten hoeven koken, gewoon een broodje bapao in de magnetron en een zak wokkels binnen handbereik. Wat lijkt me dat een walhalla.

Ja. Kinderen en schrijven zijn niet (altijd) makkelijk te combineren. Maar ik ben zowel schrijver als moeder en niet van zins met een van beide te stoppen dus ik doe het er maar mee.

https://www.volkskrant.nl/de-gids/kunst-en-kinderen

 

 

Wassend water

Met mijn ogen dicht zit ik op bed en laat mijn gedachten de vrije loop. Soms kom ik zo tot scherpe observaties, stevige woorden, strakke lijnen. Vandaag komt er niks dan een springvloed aan nostalgie en weemoed.

Ik zit hier en er valt niet tegenaan te hozen. Het zilte opgepimpte verleden, een wat-had-kunnen-zijn gevoel, alsook een onbestemde melancholie zonder wortels in de grond spoelen genadeloos over me heen.

Kom maar. Kom maar. Laat maar komen dan.

Als eerste denk ik aan mijn vader. Altijd weer die dode vader die zoveel van mijn leven heeft gemist – bijna net zoveel als ik hem mis. Vroeger rook ik zijn geur, zelfs met ogen open, bijvoorbeeld als ik bij een rood licht wachtte was hij daar ineens. Dan keek ik naar links, rechts, overal om te zien of mijn vader misschien onverhoopt had besloten terug te komen.

Tegenwoordig moet ik met een omweg mijn vader levend toveren, of nou ja, in elk geval dichterbij halen. Na dertig jaar ben ik de hoop op terugkeer een beetje verloren.

Dan denk ik aan boekwinkels en zie ik mezelf met een duim razendsnel langs de pagina’s glijden, de geur van boek opsnuiven. Daar woont mijn vader, in die geur.

Ik heb het ook bij de geur van zweet, specifieker: bepaald mannelijk zweet. Als ik dat ruik komen er soms zo maar tranen in mijn ogen. Tranen van gemis. Verdriet. Liefde.

Dus nu denk ik aan de geur van boekwinkels om mijn vader bij me te houden. Nu ben ik een boekfluisteraar geworden omdat de wind in de pagina’s me aan hem doet denken. Nu ben ik een morsig vrouwtje geworden dat heimelijk de oksels van mannen nadert.

Ik knijp mijn ogen wat stijver dicht en hoop dat het nog heel lang wassend water blijft.

Twee honden in de vloedlijn

Wat is dan geluk, vroeg je. We liepen over het strand, de dag omarmde de nacht en twee honden speelden in de vloedlijn.

Ik denk dat dit geluk is, zei ik.

Maar we lopen enkel naast elkaar op een bijna verlaten strand terwijl de zon ondergaat, antwoordde jij en je schudde je hoofd.
Dit kon overduidelijk geen geluk zijn.

Laat ik het verduidelijken, zei ik.

Voor mij is dit geluk. Ik loop met jou, mijn vuur, mijn water, over een bijna verlaten strand en hoor de golven breken en de meeuwen krijsen. Twee honden spelen in de vloedlijn.

Jij bent mijn geluk, voegde ik er aan toe en kneep zachtjes in je hand.

Je draaide je hoofd naar me toe en keek verbaasd. Is het dan zo simpel, vroeg je retorisch. Is geluk zo simpel als wandelen op een strand met twee honden in de vloedlijn en liefde aan de hand?

Biologisch afbreekbaar

Op het gebouw zat een bordje met een pijl en het woord ‘asurnen’. Het kostte me even voor ik het woord in de juiste klemtonen kreeg. De kamer waar wij in werden geparkeerd was net zo onpersoonlijk als de hal van het uitvaartcentrum. Stemmig en minder-stemmig grijs, een hele waaier aan grijstinten, met hier en daar wat wit om lucht te blazen in het deprimerende geheel. In de hal had ik ook een grijs boeddhabeeld zien staan, maar in deze kamer kon ik er geen ontwaren. Wel een vitrinekast met een assortiment grote en minder grote vlinders in paartjes, niet in het grijs. Het waren ook geen echte vlinders, gelukkig. Het idee van opgeprikte vlinders in een crematorium is een beetje morbide, niet waar.

Er was een bak met vuistdikke ovaalvormige stenen in verschillende kleuren. Volgens het bordje dat er naast stond waren die te koop. Ik rolde een paar keer met mijn ogen.

In het midden van de ruimte een grote tafel met koffie, maar daar mochten we niet aankomen. Niet dat ik überhaupt op crematoriumkoffie stond te wachten, maar er was dus koffie.

Ik keek naar de anderen. Ik was de enige op Birkenstocks met pantermotief. Ik was zo te zien ook de enige die al meer dan anderhalf jaar niet naar de kapper was geweest. De anderen praatten wat met elkaar of stonden maar een beetje te staan, zoals ik, in afwachting van wat er zou gaan komen.

Daar kwamen twee uitvaartmevrouwen in stemmig ton-sur-ton grijs. Ze droegen drie grote bollen, in kleur verschillend. Mijn eerste gedachte was dat het bowlingballen waren, maar wat die hier deden was mij een raadsel. Het bleken biologisch afbreekbare urnen, met de as van mijn schoonmoeder, schoonopa en schoonoma. Toen ik er een aanraakte, voelde het materiaal als papier-maché onder mijn vingers, ik stelde me voor hoe hij zou vergaan in de grond en de as van mijn aangetrouwde familie (in dit geval oma) in dit Baarnse bos zou verdwijnen.

Het duo Stemmig Grijs had uitleg over wat ging gebeuren. We zouden het bos inlopen en de ufo-bollen begraven onder een of andere boom, te midden van een overdaad aan Lelietjes van Dalen. Er waren bloemen en steentjes om de grafjes mee te bedekken (‘grafjes’ was het woord dat een van Stemmig Grijs gebruikte, ik zou zelf een ander woord hebben gekozen).

De dame die op dat moment aan het woord was nam een teug lucht om haar verhaal te beëindigen, maar werd onderbroken door een van de aanwezigen, ik noem geen namen, die haar vroeg of het ook mogelijk was om een blanco aanvraagformulier van het crematorium te bekomen. Waar hij dat voor nodig had, vroeg de mevrouw. Dat dat er niet toe deed, zei hij. Hij wilde het graag hebben. De dame zei dat deze formulieren doorgaans alleen werden verstrekt aan mensen die een dood iemand wilden laten cremeren. Er volgde een korte discussie maar mijn aandacht verslapte.

Ik had het gevoel in een filmscene te zitten, of in Bananasplit. Ralph Inbar zou elk moment als een deus ex machina de deur open beuken, zijn borstelige snor voor hem uitgesneld en wij zouden dan opgelucht ademhalen en verzuchten dat het goddank allemaal maar een boze droom was geweest.

Bij het naar buiten lopen dacht ik aan mijn opgebaarde opa en hoe ik nooit meer een opgebaard iemand wilde zien. Doe mij ook maar zo’n plek in het bos in een bolletje oude krant en een netwerk eekhoorntjesbroden boven mij.

Eenmaal op de plek zag ik drie beschaafde gaten in de aarde, alsof een buitenmaats konijn los was gegaan. Naast de gaten lagen drie blauwe bollen. Nog meer dan de biologisch afbreekbare bollen leken deze van buitenaardse komaf. Als bakens, vuurtorens voor de marsmannetjes. Het bleken geolocatiebollen. Zo konden we altijd weten waar schoonmoeder en haar ouders waren, ook al waren ze al opgegaan in hun omgeving.

De bollen gingen ter aarde. Iemand bleef in een braamstruik haken, mijn nagels gingen kapot door de stugge grond waar ik handenvol van op schoonmama’s graf schepte. Mijn panter Birkenstocks zagen eruit alsof er een modderlawine overheen was gegaan, mijn voeten of ik twaalf jaar barrevoets door Afrika had getrokken.

Zonder dat de mevrouwen Stemmig Grijs het zagen groeven een aanwezige en ik drie Lelietjes van Dalen uit om bij de schoonvader in de tuin te zetten. Al mijn nagels op een na waren inmiddels afgebroken, maar een kniesoor die daarop let als je je schoonmoeder aan het begraven bent.

Op de Hilversumse heide zaten we na. Er werden sandwiches en veel wespen geserveerd. Twee mensen bestelden een Larens Blondje. Een van de blondjes verdween niet in het keelgat van de besteller maar kwam vroegtijdig aan haar einde over het hoofd, schouder en voorgevel van een tante. Sorry, sorry mompelde de serveerster, ik struikelde over een takje. Tante stonk van top tot teen naar bier, ik vermoed dat ik zo ook heb geroken in langvervlogen tijden toen ik de plaatselijke Benzinebar frequenteerde en om zes uur in de ochtend hevig knipperend het ochtendgloren instapte alsof ik te lang in het nachtdierenverblijf van de locale dierentuin had doorgebracht.

Vele grappen volgden. Besloten werd dat tante maar niet zou terugrijden want dit viel niet uit te leggen aan oom agent.

Nieuw boek

Of ik al met een nieuw boek ben begonnen, vroeg iemand me onlangs. De vraag overviel me. Nee, natuurlijk niet, had ik geantwoord. Het feit dat ik er net een af heb betekent niet dat ik gelijk doorrol naar het volgende. Zo werkt dat niet bij mij.

Bij anderen wel, zei de ander. Ja, bij anderen wel, had ik geantwoord. Maar bij mij dus niet. Ik zit momenteel in de ontkennende fase, het liefst lazer ik het manuscript van dit boek in een lade van een bureau, of nog beter: ontken ik het bestaan ervan, maar dan nog ben ik niet leeg genoeg van binnen om aan een nieuw avontuur te beginnen.

Maar als je het bestaan van dat oude manuscript ontkent, zei de ander, dan ben je toch in feite leeg, klaar om je te richten op nieuw avontuur?

Nee, zei ik. Ik ben nog niet leeg, ik meen het. Ik droom nog van dit boek, de hoofdpersoon is nog niet weggesleten, er zijn nog open zenuwuiteinden, gedachten die eerst moeten vervliegen. Pas dan is er ruimte voor iets nieuws.

En wat doe je dan nu? Vroeg de ander. Nou, weinig, zei ik. Vandaag heb ik de mieren op de campingtafel geobserveerd, wat een boeiende beestjes zijn dat. Gisteren deed ik bijvoorbeeld helemaal niks.

Lijkt me vermoeiend, zei de ander. Echt, lijkt me doodvermoeiend om zo te zijn.

Ja, vertel mij wat, zei ik. Ik moet er dagelijks mee leven.

Vakantie

Die lange zomers uit mijn jeugd, waarin ik mij zo onwaarschijnlijk verveelde dat ik bang was om op te lossen, tussen de kieren van de bank door te glijden, uren aan dagen aan weken tergend langzaam op elkaar gestapeld, de ene stapel nog meer hetzelfde als de vorige. Langzaam met zes a’s, welteverstaan.

Er zit precies helemaal niets in mijn hoofd momenteel. Het ene moment is precies hetzelfde als het vorige en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hetzelfde als het volgende. Ik drink koffie. Ik kijk naar mensen. Ik lees een boek. Ik dommel weg, ik jaag een kind weg, of een kauwtje dat naast me landt en iets van me wil, vast iets te eten, de schooier. Ik heb mijn herinneringen. Mijn dromen. Mijn verlangens, maar het zijn dezelfde als gisteren. Als morgen. Ze lopen niet weg, ze blijven en blijven en blijven. Er verandert niks. Er is zoveel tijd.

Dit is zoals vroeger. Er is geen begin. Geen einde. Alleen maar nu, oneindig langzaam, uitgestrekt nu.

Yke

Het meisje vindt hem leuk. Ze heet Yke en is bijna negen, hij is net tien en zijn voornaam begint ook met een Y. Waar hij gaat, gaat zij ook, heel toevallig is zij bijna overal waar hij ook is.
Het laat hem niet helemaal onberoerd, de speciale aandacht van het blonde meisje met de blauwe ogen en een vader die van dit eiland komt.

Yke Yke Yke.

Zullen we kijken of we haar tent kunnen vinden, mama? Alleen durf ik niet. Of nou ja, nou ja, durven wel, maar ga voor de zekerheid met me mee. Kijk daar is hij, ik zie haar fiets. Haar frisbee. Maar waar is het meisje?

Yke Yke Yke.

Op weg naar onze eigen tent lopen we haar bijna omver. Ik zie hoe hij zich uitslooft voor haar, nog beter van de tongriem gesneden, een en al jongensachtige eloquentie. Pre-hormonen kaatsen als onzichtbare stuiterballen tussen het blonde meisje en de donkere jongen met de vuurrode wangen.

Twijfel

Sinds anderhalve week is het manuscript waar ik ruim een jaar aan heb gewerkt af. Ik ben het nu aan het doorpluizen, gênante taalfouten verwijder ik stilletjes, ik plaats wat komma’s hier en daar, ik sloop een enkele zin. Wat ik vooral doe is het helemaal lezen. Van voor naar achteren: de hele tekst. Voor het eerst.

Dat wekt een hoop emoties bij me op kan ik je vertellen en helaas niet allemaal plezierige. Zeker, het is wonderlijk om te zien wat mijn geest besloot te doen toen ik mezelf opdracht gaf tot het schrijven van mijn eerste roman, fictie dus – dat was mijn eis; geen waargebeurde verhalen, geen autobiografisch relaas. Ik wilde zien of ik instaat ben tot het schrijven van iets dat van a tot z verzonnen is. Ik blijk dat te kunnen, er ligt een tastbare stapel papier voor me met meer dan 90.000 woorden die ik erop heb getikt het afgelopen jaar. En ja, het heeft een kop en een staart, ik vermoed dat het leesbaar is en misschien zelfs wel meer dan dat. Er valt wat te lachen, wat te huilen, een hoop te verwonderen.

Ik weet alleen niet of hetgeen ik wil overbrengen ook echt zal overkomen op eventuele lezers. Dat zal dan vooral aan mij liggen, ben ik bang. Aan mijn schrijfstijl, aan de manier hoe ik schrijf, al zou het ook heel best voor een deel kunnen liggen aan de lezer, of hij bereid is moeite te doen.

Niet gelijk steigeren. Ik leg het uit.

Vorig jaar werd mijn aanvraag voor een beurs van het Letterenfonds afgewezen: niet literair zou ik zijn, ze hadden er geen fiducie in. En hoewel ik een hoop middelvingers richting de Nieuwe Prinsengracht heb opgestoken en ik vaak dacht: ‘well, that is just your opinion, man,’ moet ik eerlijk toegeven dat ik er blijkbaar ook een fikse knauw van heb gekregen. Zo ben ik, nadenken over alles. Waarom ben ik niet literair. Wat is literair. Wil ik het überhaupt zijn. En dan weer terug naar die opgestoken middelvingers naar de elite aan de grachtengordel, absoluut.

Ik ben dus niet literair, volgens het sanctum sanctorum van de Nederlandse Letteren. Maar wat ben ik dan wel? Ik begon aan een roman en ik voltooide hem. Literair of niet, dat bleek ik in elk gevan te kunnen, de ruwe versie ligt immers voor me. Er was een verhaal dat eruit moest, uit mij, en zo geschiedde. Er kwam een voor mij volkomen onverwacht einde; het verhaal leefde onder mijn vingers zijn eigen leven, ik kan je verzekeren dat dat een wonderlijk iets is. Ik keek naar de woorden die zich tot zinnen vormden op mijn scherm en snapte niet waar ze vandaan kwamen.

Het feit dat je schrijver bent maakt je echter niet automatisch literair. Dat wist ik al, maar door de afwijzing van dat Fonds weet ik het nog meer.

Ik heb het opgezocht, literair: het is als een soort Avalon, een in nevelen verborgen eiland dat alleen voor ingewijden toegankelijk is. Een onneembaar fort vol subjectieve criteria. Te denken valt aan: uitgediepte personages met emoties en complexe  beweegredenen in plaats van platte karakters. Diepere lagen, niet enkel dialoog en actie. Literatuur blijkt niet enkel ter ontspanning te zijn, las ik, het moet je aan het denken zetten. Literatuur is origineel, niet het naschilderen van een bestaand werk, het volgen van een bepaald stramien. Literaire schrijvers zouden zich niet voegen naar trends, grillen, maar hun eigen stem volgen, wars van keurslijven en wat anderen verwachten, willen, wensen en wat nu op dit moment in de mode is. Geen eenheidsworst.

Ik moet zeggen dat ik ietwat in de war ben. Want als je het verhaal dat nu voor me ligt langs bovengenoemde lat legt, zou je het heel best literair kunnen noemen. Maar dat klopt dus niet, heb ik mij laten vertellen door het Fonds. Wars van het hedendaagse telegramstijlfetisjisme, die jip en jannekestijl, de pretentieloze, uitgebeende en onderkoelde teksten die momenteel zo populair zijn, kom ik aanzetten met mijn dramatische taal, mijn uitweidingen en mijn herhalingen, die soms als bezweringen fungeren en soms zijn bedoeld om je iebelig te maken, over-alert, met mijn oeverloze monologen intérieur, met al die beschrijvingen van omgeving en natuur waar op het moment geen hond op lijkt te zitten wachten. Ik gebruik nog net niet drie uitroeptekens waar 1 volstaat, maar…. puntjes zijn mij niet vreemd… Een groot anachronisme ben ik, of in elk geval hetgeen ik schrijf lijkt dat te zijn.

Ik heb geen idee echter of lezers voorbij de herhalingen kunnen (en willen!) lezen, voorbij de verstilling, de momenten dat er niets gebeurt, zelfs voorbij hetgeen ik overduidelijk schrijf, want er valt meer te lezen dan er staat. Het zou me niet verbazen dat het boek ook alleen door vrouwen gelezen gaat worden omdat het hoofdpersonage een vrouw is en ook nog eens een totaal gestoorde vrouw. Zucht, hoor ik de kerels denken: weer een hysterische vrouw die grandioos van het pad is geraakt: boeien. Wat is er vernieuwend aan dit thema? Misschien toch niet zo literair, dan?

Zucht.

Ik kan van mezelf erg slecht zeggen of ik het goed vind wat ik schrijf, of juist slecht, of iets daartussenin. Dat ligt aan mijn eeuwige twijfel. Twijfel aan mijn eventuele talent, maar ik vermoed dat het ook iets van doen heeft met mijn onzekerheid of wat ik schrijf wel mensen bereikt. Ik kan zelf wel graag iets willen schrijven en het mooi vinden, maar of het anderen boeit? Of het iets toevoegt?Of het mij überhaupt boeit wat anderen ervan vinden, al mag je dat laatste natuurlijk niet hardop zeggen, want dat komt arrogant over en er zijn ook nog eens tientallen gaten in te schieten.

Ja, je zou kunnen zeggen dat ik een literairfixatie heb opgelopen en geloof me als ik zeg dat ik liever zonder had gezeten, want het leidt af van wat ik schrijf en wil schrijven, en met name van het vrijelijk schrijven (wat ik toch wel doe, maar dan nu met nog meer twijfel en onzekerheid).

Ik had wat meer als The Dude willen zijn. ‘Whatever, man.’

Je zou ook kunnen stellen dat ik in een spagaat zit: wat wil ik met mijn schrijven en wie wil ik bereiken? Wil ik stiekem toegankelijk schrijven omdat ik veel lezers wil bereiken? Toegankelijkheid in combinatie met herkenbaarheid en sensatie, daar bereik je de mensen tegenwoordig mee: een waargebeurd verhaal is mateloos populair. Of wil ik schrijven wat ik zelf wil, wat ik zelf belangrijk vind, ongeacht trends of die onstilbare behoefte van lezers naar sensatie en vermaak, opwindende kijkjes in de levens van anderen, met het risico dat zo’n boek maar 200 keer wordt verkocht, als er überhaupt al een uitgever is die er iets in ziet?

En dan de kers op de taart: voel ik me nog wel schrijver als ik altijd subrosa blijf schrijven, als bijna niemand mijn woorden leest? Mijn hemel, bén je wel schrijver als je nauwelijks wordt gelezen? Als je als smoezelige armetierige gribus tegen de klippen op blijft schrijver op je donkere zolderkamer?

Natuurlijk wel, natuurlijk wel, dat wordt  mijn nieuwe mantra, maar waarom dan die onvrede, die enorme onzekerheid? Misschien dan toch overstag gaan en commercieel gaan schrijven, letters voor de massa, waarom ook niet?

Ik heb dan even wilde plannen, zie het helemaal voor me, maar die plannen zijn de volgende dag alweer vervangen door een obscuur idee voor een volgend boek dat niemand zal lezen.
En toch en toch …Ach, welnee. Het antwoord is heel eenvoudig: nee, dat kan ik niet. Ik schrijf alleen over onderwerpen die mij interesseren en ik vermoed dat wat mij raakt en in beroering brengt niet bijster commercieel van aard is.

Ik moet er maar mee leren leven. En een andere vorm van brood op de plank zien te vinden. Zie het als open sollicitatie. Bij dezen, dus. Misschien toch maar iets met letters…

Perry

Er zit al 20 jaar een liedje in mijn kop waarvan ik alleen de titel weet en een paar zinnetjes tekst. Ik hoorde het voor het eerst op de werkkamer van een vriend, het zal 1998 zijn geweest en het internet was nog schattig met websites met gele letters op een witte achtergrond en fluorescerend knipperende balkjes waar je zeker niet op moest klikken want laden duurde 12 uur en dan had je nog niks. Het was de tijd van het inbellen met een 64kb modempje, of daaromtrent, en dat klonk alsof je veel te luid, supra Rosa, je agent in Rusland met adhdmorsecode inlichtte over de verwikkelingen buiten het moederland. Ik heb het altijd gênant gevonden, maar misschien is dat omdat ik daadwerkelijk een geheim agent van de FSB ben. Het was ook de tijd van ICQ, een plek op dat malle internet waar je soort van anoniem kon chatten met onbekenden, maar dat is weer een ander verhaal.

Ik hoorde het liedje dus op de werkkamer van die vriend, die het op Soulseek had gevonden, ingeklemd tussen een tiental liedjes van onbekende Nederlandse bandjes. Ik denk dat het een of andere sampler was, maar het is een eeuwigheid geleden en ik heb een vrij beroerd geheugen. Ik vond het prachtig, de tekst in klungelig middelbare school Engels en de gitaar soms te stevig aangezet bij de breekbare stukjes over een tragisch verlopen liefde, alsof de gitarist zich niet over de tekst had gebogen of misschien wel maling had aan het verzoek timide te spelen op de momenten dat de mislukte liefde wordt bezongen. Misschien was hij net bedrogen en haatte hij de liefde, dat kan natuurlijk ook.

Vanochtend werd ik wakker en hoorde ik het meisje weer de eerste zinnen zingen. Ik ging rechtop zitten omdat ik, niet anders dan de afgelopen 20 jaar, nu écht meende mij het liedje te herinneren. Op het moment dat ik rechtop zat en mijn mond opende om de woorden te zingen losten de interne noten op in het niets en bleef ik achter met slechts de titel, de begin zin en na heel lang nadenken een deel van de tweede zin.

Ik heb de twee zinnen die ik wel weet tientallen keren gegoogled en dat leverde niks op. Ik weet de bandnaam niet eens. Soms ben ik boos op Google, wat een prut zoekmachine is het toch, maar meestal draagt het niet-mijn-vinger-kunnen-leggen gevoel bij aan mijn toch al hoogontwikkelde melancholie. Alsof je je een liefde uit je vroege jeugd herinnert, de lichamelijke sensatie van het dicht bij elkaar staan, de geur van appelshampoo in zijn haar, de kleine sproetjes op zijn bovenlip, maar zijn naam, zijn naam ben je vergeten.

Ik ben bang dat het er niet beter op gaat worden, met mijn voeten al stevig in de derde helft. Mijn dans rond de jongen die Perry heet is al 20 lange jaren gaande. Nooit kom ik dichterbij. Als hij zou hebben bestaan zou hij een middelbaar jongetje zijn, misschien met een buikje, zeker met borsthaar en God beware me, met rughaar en een kalend hoofd, maar aangezien hij alleen in mijn dromen en binnenwereld leeft, blijft hij voor altijd jong en dromerig. Misschien dat ik hem ooit nog echt leer kennen, al zijn woorden, de naam van zijn bedenkers, zijn hele lied, maar veel hoop heb ik niet.